DROMEN VAN EEN STRADIVARIUS

'HET IS NATUURLIJK niet nodig dat een student op een Stradivarius speelt', zegt Jan Repko, hoofdvakdocent viool aan het Conservatorium van Amsterdam. “Maar ik kom het voortdurend tegen dat studenten de grenzen van hun instrument hebben bereikt en geen geld hebben om een betere viool te kopen.” Een Franse viool uit het begin van deze eeuw kost al snel 35 `a 40.000 gulden, rekent Repko voor, en voor een goede strijkstok moet nog eens 5 `a 6.000 gulden worden neergeteld. Een mooie Italiaan komt boven de twee ton. De prijs van een nieuwbouwviool ligt beduidend lager, zo rond de 20 `a 25.000 gulden. “Daar hoef je zeker niet je neus voor op te halen”, meent de docent, “maar er zijn wachtlijsten van ongeveer drie jaar. Ik heb studenten die in hun eerste jaar een moderne viool besteld hebben en er pas tegen het eind van hun studie op kunnen spelen.” Ondertussen beschikken ze over een leenviool die aanvankelijk nog wel voldoet. “Maar op een gegeven moment kennen ze alle geheimen van het instrument en dan is het op. Voor veel studenten is dat een ramp want hun techniek, spel en fantasie worden niet verder ontwikkeld.”

Ook Quinten Bunschoten, faculteitssecretaris van het Amsterdams Conservatorium, spreekt regelmatig studenten die niet over de financi¨en beschikken om het instrument te kopen dat bij hun ontwikkeling past. “Als je niet over familiekapitaal beschikt sta je voor een niet onaanzienlijk probleem”, zegt Bunschoten. Een leeninstrument van goede kwaliteit bemachtigen is bovendien niet eenvoudig en vaak een kwestie van geluk. Ook al doet het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds goed werk voor conservatoriumstudenten, het is de ervaring van Bunschoten dat lang niet iedereen bediend kan worden. Het probleem wordt nijpender naarmate studenten verder in hun studie komen, de eisen aan het instrument worden hoger en ze moeten de overstap gaan maken naar de beroepspraktijk. Bunschoten: “Als ze een leenviool hebben gehad, moeten ze die na het examen inleveren. Ze hebben dan nog geen inkomen, maar ze moeten wel een investering doen die tussen de 50.000 en 100.000 gulden ligt.” De grootste problemen blijken zich voor te doen bij de strijkers en in iets mindere mate bij de harpisten, pianisten en fagotisten. “Blaasinstrumenten zijn goedkoper, voor 20.000 gulden heb je een prachtige fluit”, legt Bunschoten uit.

Deze bevindingen uit de dagelijkse praktijk komen in grote lijnen overeen met de uitkomsten van het onlangs gepubliceerde onderzoek 'Inspelen op de markt van strijkinstrumenten', dat de Universiteit van Amsterdam in opdracht van het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds uitvoerde. Het Fonds, dat muziekinstrumenten verwerft, beheert en onderhoudt met behulp van legaten, bijdragen uit het bedrijfsleven en bruiklenen, wilde bij zijn tienjarig bestaan wel eens weten hoe het in werkelijkheid zit met de vraag naar strijkinstrumenten, zodat de collectie daarop kan worden afgestemd. Het onderzoek richtte zich op zowel conservatoriumstudenten als uitvoerende musici. Ook handelaren in strijkinstrumenten werden naar hun mening gevraagd. Een van de conclusies van dit onderzoek luidt: 'Ondanks dat 89,1 procent van de conservatoriumstudenten zegt tevreden te zijn, zegt ruim een kwart van de studenten (27,4 procent) zich door het instrument op een of andere wijze in de studie beperkt te voelen.' Voor een deel bevestigt dit onderzoek wat men al wist, zegt directeur J. Deiters van het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds. “Maar een opmerkelijk gegeven is dat de werkelijke vraag naar strijkinstrumenten niet ontdekt kan worden, omdat studenten door geldgebrek niet zoeken, terwijl ze wel aan een nieuw instrument toe zijn.” Zijn Fonds geeft instrumenten voor onbepaalde tijd in bruikleen, “maar”, zo moet Deiters erkennen, “we kunnen niet in de gehele behoefte voorzien. We moeten ook mensen teleurstellen.”

De helft van de 235 bruikleners bestaat uit jonge, talentvolle kinderen, vooropleiding- en conservatoriumstudenten. De andere helft van de instrumenten gaat naar uitvoerende musici. Niet alleen strijkers overigens, het Fonds beschikt ook over vleugels, harpen, clavecimbels en blaasinstrumenten. Uit het onderzoek blijkt echter dat 75 procent van de ondervraagde studenten het liefst een eigen instrument wil hebben en dus liever wil kopen dan lenen of huren. Doordat het aanbod van strijkinstrumenten onderhevig is aan de markt zijn de prijzen de afgelopen jaren fors gestegen. Mooie examplaren worden als beleggingsobject onttrokken aan het gebruik. Er is zelfs sprake van 'emigratie van goede instrumenten', zoals de onderzoekers vaststellen, omdat de prijzen in Nederland lager liggen dan in het buitenland. “Met ons Fonds hopen we topinstrumenten te behouden voor het Nederlandse muziekleven”, stelt directeur Deiters. “De totale verzekerde waarde van onze collectie bedraagt 14,5 miljoen gulden, er zitten drie violen tussen die samen vier miljoen waard zijn.”

Een van deze violen zal vijfdejaars conservatoriumstudente Mascha van Sloten (21) voorlopig niet bemachtingen, maar ze hoopt wel dat er binnenkort een instrument voor haar vrij komt via het Muziekinstrumenten Fonds. Ze is lichtelijk in paniek, want als het niet tijdig lukt met het Fonds heeft ze na de zomer helemaal geen viool meer. “Mijn ouders hebben niet zomaar een paar ton om een instrument voor mij te kopen en ik kan ook niet naar een bank gaan.” Mascha's 'probleem' is dat ze tijdens haar hele studie op een prachtige Italiaanse viool uit 1706 heeft mogen spelen - waarde rond de twee ton - maar dat deze particuliere bruikleenviool ingeleverd moet worden op het moment dat ze haar examen heeft gehaald. Komende zomer dus. Ze wil van het Fonds graag een vergelijkbaar instrument in bruikleen krijgen en dat is geen geringe wens voor iemand die zich nog in de beroepspraktijk moet gaan bewijzen. “Ik weet dat het verwend klinkt, maar dat is het niet. Het is noodzakelijk om me verder te kunnen ontwikkelen”, zegt Mascha. Klagen wil ze absoluut niet. “Iedereen heeft ontzettend veel geld en moeite in mijn studie gestoken en ik ben ontzettend dankbaar dat ik op zo'n prachtige viool heb mogen spelen, maar je kunt gewoon niet meer terug naar een minder instrument.”

De viool die haar medestudent Marcus Vliegen (21) via het conservatorium in bruikleen kreeg is 'slechts' 30.000 gulden waard, maar hij was er ontzettend blij mee toen hij hem kreeg. Ook zijn ouders kunnen niet zomaar een la met geld opentrekken. “En waarom zouden ze zoveel geld in mij moeten steken”, vindt Marcus, “ik heb ook nog twee broers”. Eigenlijk was hij al bijna een jaar uit zijn oude viool gegroeid. “Je merkt dat je niet meer genoeg uit je instrument kunt halen. Je probeert van alles met de klankkleur en het bereik, maar je komt niet verder en dat is erg frustrerend.” Het verschil tussen een viool van 10.000 en 30.000 gulden is heel groot, merkte hij. Ook al moest zijn leenviool eerst nog door hem worden 'wakker gemaakt', omdat er een tijd niet op gespeeld was. Marcus moet zijn instrument weer inleveren als hij over een jaar eindexamen doet. “Voor iedere violist is het een droom om een Italiaanse viool met een Franse stok te bezitten”, zegt docent Jan Repko en hij wijst naar zijn vioolkist. Daarin ligt een 'schattige' Galeano uit 1720. “Het was love at first sight”, zegt Repko bijna liefkozend. Aan de ene kant stemt het hem somber als studenten niet het juiste instrument kunnen verwerven en daardoor beperkt zijn in de ontwikkeling van hun spel. “Aan de andere kant”, zegt hij, “is het nooit anders geweest. Een musicus droomt altijd van een nog mooier instrument.”