De broodtrommel

Tegenwoordig is Woerden in het trotse bezit van een rondweg en verkeersplannen en alles wat daarbij hoort. Toen wij hier kwamen wonen was er nog niet één stoplicht. Dat was in 1976. En in 1946? Hoe was het hier in '46?

“Stil”, zegt Jaap van der Vooren en hij laat een stilte vallen om zijn herinnering te illustreren.

Rust en eenvoud heersten hier. Alleen 's woensdag, 's morgens vroeg: het geklak van paardenhoeven, het geratel van karrenwielen. Dan kwamen de boeren van alle kanten met hun kasbrikken naar de stad. Op de hoek van de Wilhelminaweg kwam Mastwijk de slager naar buiten om 'rotboeren' te roepen . Op het eind van de Kruittorenweg stond een mannetje om het stageld te innen. De paarden werden uitgespannen op de Nieuwe Markt en naar de stalhouderij of de hoefsmid gebracht. Dan werd de bel geluid, de handel kon beginnen. Boeren (met pot) zaten op de bok, handelaren (met hoed) liepen rond. Handjeklap.

Van der Vooren maakte er foto's van. Hij is nu 71, dus reken maar uit. Nadien heeft hij over zijn stad verschillende boeken samengesteld.

Zijn vader was loodgietersknecht. Later vestigde hij zich als kleine zelfstandige en begon hij borstels te maken. Toen ging hij ook dweilen en koudwaterverf verkopen. Intussen was aan dit zakenimperium een drogisterijtje toegevoegd. In een zomer, toen hij weinig om handen had, leerde hij zichzelf foto's ontwikkelen. En toen was er iemand die vroeg: kun jij geen pasfoto's maken?

In een boekje hield zijn vader met onberispelijk handschrift de resultaten bij, en dan zie je in het atelierwerk een sprong van ƒ 262 in '38 naar ƒ 3.198 in '41. Dat kwam door het persoonsbewijs. Opeens waren er duizenden pasfoto's nodig. Ze kamen ook bij de mensen aan huis. Dan werd achter het te fotograferen hoofd een wit laken opgehouden, dat je zachtjes heen en weer moest bewegen - bij een sluitertijd van een/vijftiende zag je dan de plooien niet.

In '45 maakte zijn vader reclame onder onze jongens in Indië, dat hij foto's goedkoper kon afdrukken dan de Chinezen daar. Dus op postorderbasis. En dan zie je onder het kopje 'ontwikkelen en afdrukken' een sprong van ƒ 358 in '38 naar ƒ 26.310 in '48. Twaalf cent per afdrukje, allemaal handwerk, dag in dag uit.

Jaap zelf ontsnapte aan uitzending naar Indië (en híj vond dat jammer, voor zijn moeder was het een pak van d'r hart) doordat hij als dienstplichtige bij de Leger Film- en Fotodienst werd gedetacheerd. Daar heeft hij het vak pas echt geleerd.

Foto's in overvloed, maar van '46? Daar vraag je wat. Of ja deze, een portretstudie van Arie van Vliet, karakterkop met brilletje. Precies van dat jaar!

(Van Vliet woont nog steeds in de bungalow Oerlikon aan de Oostsingel. Even verderop staat sinds 1970 een beeld van twee roerloze sprinters, Surplace. De familie bevestigt het gerucht dat dit destijds geheel buiten de oud-wereldkampioen om werd geplaatst en onthuld. Het gerucht echter, dat dat was omdat hij op zondag had gefietst, wordt ontkend; hij fietste altíjd op zondag en werd in zijn woonplaats toch echt wel geëerd.)

En deze, ook van '46: forse man met pet en leren jekker en blanke klompen, herenfiets met dubbele stang en een geveerd zadel. Hij heeft een blik aan het stuur hangen, een trommelstok in de hand en een toeter voor zijn mond. Chiel de Groot, stadsomroeper. “Hedenmiddag om twee uur vlees in de slachtplaats aan de Achterstraat. Zegt het voort, zegt het voort.”

En deze: de Singelzwemwedstrijd. Want je had de Forel en WZC, ieder met eigen zwembad, zijn eigen polo-zeventallen, zijn eigen feestavond met toneeluitvoering en bal na. Maar eens per jaar was er een wedstrijd voor iedereen. Dan sprongen ze bij de Stationsweg in het water, en de finish was bij de Westdambrug.

Ik: “Dus om de hele oude stad heen?”

Van der Vooren: “De hele stad was de oude stad!” Acht-, negenduizend inwoners (nu tegen de veertigduizend). Vrijwel het hele leven speelde zich af bínnen de singels.

En ik weer: “Dan was het toch korter geweest om de Oude Rijn te nemen?”

En hij: “Maar die was zo smerig als de hel. Iedereen gooide er zijn rotzooi in.”

Dwars door de stad liep de rivier, nog volop in gebruik als vaarweg. Schepen met aardappelen voor de groenteboer, vletten met klei voor de pannenbakkerijen aan de Leidsestraatweg. (In de jaren zestig gedempt en geplaveid als winkelpromenade.)

In de oorlog was Jaap, om het verschrikkelijke nietsdoen het hoofd te bieden, een dagboekje begonnen. KAZAN, staat er op dat boekje, met een fletsrode herdershondenkop in een dun groen cirkeltje. Na de oorlog, in de drukte van de wederopbouw, werd het snel minder - maar dit is er dan toch nog, een aantekening van 20 januari 1946:

“De eerste week van dit jaar heeft een verrassing gebracht. Maizena, aardappelmeel, puddingpoeder, gort, havermout, vermicelli, zout, koek, biscuit en taaitaai kwamen zonder bon. De broodtrommel puilt uit van het wittebrood. Boterhamsmeersel genoeg. Vis zonder bon te krijgen. Taartjes ook, in beperkte mate. Ja met het eten is het okay.”

Ja, daar verkijk je je op. Nu zie je vooral de schaarste van die tijd, toen had je een gevoel van vooruitgang, een begin van weelde.

En in datzelfde boekje wordt gewag gemaakt van Don't fence me in, Amor amor amor, Sentimental Journey en You are my sunshine ('beroemde tunes') en van Bing Crosby en Frank Sinatra ('beroemde zangers').

Van der Voorn: “Ik was negentien. Je leert een vak, je moet in dienst. Je komt tot bewustzijn, het grote leven gaat beginnen, je jongenstijd is aan het voorbijgaan.”

Ik: “En je hebt vriendinnetjes.”

Hij: “Dat ook. Maar niet zoals dat nu is. Je ging dansen, je bracht eens iemand thuis, je kreeg misschien een zoen... maar verder... misschien was ik te preuts hoor. Maar van anderen heb ik dat ook nooit gemerkt, ik had ook geen vrienden die dat deden. Het zal in de zomer van '46 zijn geweest dat we met vier meiden en vier jongens voor een zeilweek naar de Loosdrechtse Plassen gingen, net achter Breukelen. De meisjes sliepen in de woonwagen die we hadden gehuurd, wij in tenten ernaast. Toen kwam iemand zeggen dat we daar weg moesten - wij moesten een eilandje verderop gaan staan.”

“Die vertrouwde dat niet?”

“Kennelijk niet.”

“En daar was geen enkele aanleiding toe?”

“Daar was geen enkele aanleiding toe.”