Bloeien in groepsverband

Een van de opwindendste ogenblikken bij het leren van Chinees is de eerste calligrafieles: uitgerust met penseel, inkt en inktsteen produceer je voor het eerst iets dat er uitziet als echte Chinese karakters. Dan, na een paar maanden, op een vrijdagmiddag aan het eind van het trimester, demonstreert de calligrafieleraar hoe je bamboe moet schilderen. Je begint met een blaadje, met de punt van het penseel, je oefent neerwaartse druk uit en heft dan het penseel weer omhoog: plotseling herken je daar de absolute essentie van een bamboeblad, zelfs als je er nooit bewust een studie van hebt gemaakt. Andere technieken, allemaal nauw verwant aan die die bij het schrijven worden gebruikt, geven bladeren die zijwaarts dansen of naar beneden zijn omgevouwen. Dan neem je een dikker penseel met meer water in de inkt en trekt hem over het papier, en je hebt een bamboestengel. De geledingen doe je met weer een ander penseel en een andere techniek, net als de dunnere takjes waar de bladeren aan zitten.

Het was een soort mirakel: het gereedschap doet het werk. Een Chinese schrijfpenseel lijkt wel uit zichzelf bamboebladeren te willen tekenen, zelfs voor mensen die helemaal niet kunnen tekenen. Objectief gezien is het resultaat natuurlijk niet perfect, maar het geeft, als een tijdbom, een merkwaardig secundair effect voor het ogenblik dat je naar echte bamboe kijkt: je ziet het als geschilderd. De vrijdagmiddagsfeer komt terug, de stem van de leraar die spreekt over pleins en d´eli´es, en het uitzonderlijke gevoel de beschikking te hebben gekregen over het gereedschap om een andere cultuur binnen te stappen.

De eerste bamboeplanten die ik in de tuin had zijn nu allemaal dood, ze hebben zich het graf ingebloeid. Maar gedurende een paar jaar hebben ze zich gedragen als penseeltekeningen, gehoorzaam ritselend in de wind en ons doorwekend met regendruppels bij het langslopen. In een van de boeken van Christopher Lloyd staat een waarschuwing dat je bamboe niet te dicht bij een pad moet planten omdat ze zo omlaag hangen als ze nat zijn, maar daar geef ik geen gehoor aan; een minidouche door je eigen bamboe zie ik als een eer.

Hun afsterven kwam niet als een verrassing, hoewel je toch altijd denkt dat je eigen planten een vrijstelling hebben. Maar de soort die ik had, de lievelingskost van de panda, genaamd Arundinaria murielae toen ik haar kreeg en nu Fargesia murieliae, werd al in bloei gesignaleerd toen ik haar kocht. Zij bloeit eens in de honderd jaar, maar aangezien zij pas in het Westen ge¨introduceerd werd in 1907 had nog niemand haar zien bloeien. Het bloeien van bamboe is een geheimzinnige geschiedenis, iets als het millenniumprobleem, behalve dan dat elk bamboebos zijn eigen idee heeft over de datum ervan.

In een wonderbaarlijk obsessief boek geheten The Book of Bamboo door David Farrelly (Thames & Hudson 1984) vond ik het woord daarvoor: 'gregarious flowering', bloeien in groepsverband. “Groepen planten in bamboebosjes, in groepen bosjes zich uitstrekkend over de continenten, houden indien genetisch verwant - gewekt door een of ander onontraadseld mechanisme in de cellen, een of andere klok of kalender die de leeftijd van de genetische stock bepaalt - bij honderden, dan duizenden, dan honderdduizenden plotseling op met het vormen van stengels en wortelstokken en beginnen met het aanmaken van kleine bloempjes, even onopvallend als zeldzaam. Groepsgewijze bloei kan voorkomen over kleine arealen of zich uitstrekken over honderden vierkante kilometers. Er is waargenomen hoe het ergens begint en zich uitbreidt in een bepaalde richting, er een paar jaar over doend voor het hele gebied in bloei heeft gestaan; soms duurt dat van vijf tot vijftien jaar.”

Niemand is er nog in geslaagd dit te verklaren; het bestuderen ervan wordt bemoeilijkt door de lange periodes waarover het zich uitstrekt. Het verlangt, zoals Farrelly schrijft, een “bijna fanatiek geduldige samenwerking van onderzoekers van bamboegedrag”. Zijn boek staat vol met zonderlinge wetenswaardigheden, zoals de 1048 toepassingen van bamboe in Japan, opgetekend door iemand in 1903 (er zijn ook nog 498 zuiver ornamentele toepassingen), het feit dat Phylostachys bambusoides zich vier meter per jaar kan verplaatsen, neerkomend op een kilometer per driehonderd jaar, zodat het in 12,5 miljoen jaar de wereld zou kunnen omspannen - en de waarschuwing dat bamboe niet graag in de buurt staat van eiken en kastanjes.

Na het afsterven van mijn oude bamboes had ik een nieuw bamboebos willen beginnen bij de kastanjes, dat is dus geen goed idee. Maar de eerste plant heb ik al, de wondermooie bamboe met zwarte stengels, Phyllostachys nigra, de eerste winterharde bamboe die Europa bereikte; zij kwam uit Japan, per schip, in 1827. Er is een verwante soort, P.n. var. henonis, die verondersteld wordt nog eleganter te zijn, 'ver uitstekend', zegt Graham Stuart Thomas, 'boven alle andere bamboe voor tuingebruik'. De mijne, de gewone, staat te wachten in zijn pot en ziet er precies uit als die Chinese penseeltekeningen die we moesten kopi¨eren, behalve dan dat de punten van sommige blaadjes zijn afgebeten door de poezen. De stengels beginnen groen en verkleuren, meestal aan het eind van hun eerste seizoen, naar zwart - donkerder naarmate ze meer zon krijgen. Het hout wordt in Japan gebruikt door schrijnwerkers en meubelmakers; de laat-voorjaarse scheuten heten eetbaar te zijn (de katten bevestigen dit).

De zwarte bamboe blijft 's winters groen, in tegenstelling tot de Fargesia, en komt daardoor dichter bij het Chinese bamboe-ideaal. De symbolische betekenis van bamboe was kracht; zij bleef het hele jaar fris en groen en boog in de storm zonder te breken. Dat waren allemaal de idealen van de lettr´e, geen Chinees kon naar een tekening van bamboe kijken zonder daaraan herinnerd te worden. “Ik zou kunnen leven zonder vlees, maar niet zonder bamboe”, schreef de grote dichter Su Dongpo.

De meeste boeken beweren dat bamboe grote hoeveelheden zaad voortbrengt, maar volgens Farrelly is dat niet zo. En inderdaad, mijn overleden bloeiers brachten maar een paar zaailingen voort, nu zorgvuldig uitgeplant in potten. Elke plantje heeft nu verscheidene stengels en de langste stengel vijf blaadjes, van een wondermooi jong heldergroen: ze zien er precies uit als miniatuur penseeltekeningen, ze zijn mijn vreugde en trots.