Beter Alpenbewustzijn; GEBRUIK VAN BERGGEBIED IS ONEVENWICHTIG

DE ALPEN vormen het groene hart van Europa. Over een afstand van duizend kilometer, van Nice tot Wenen, strekt zich over een gemiddelde breedte van 200 kilometer het dichtst bevolkte, meest bezochte en meest bestudeerde berggebied ter wereld uit. Maar de majestueuze bergreuzen, de idyllische dalen, de stille dennenbossen, het heldere water, de zuivere lucht, de 1300 gletsjers en de verrassend rijke dieren- en plantenwereld van de Alpen worden bedreigd. Het massatoerisme, de wintersport in al zijn vormen en het toenemende verkeer vormen een grote belasting voor dit kwetsbare milieu.

Talrijke verenigingen en particuliere organisaties - het zijn er inmiddels ruim honderd - uit de zeven Alpenlanden (Duitsland, Frankrijk, Italië, Oostenrijk, Liechtenstein, Slovenië en Zwitserland) verenigden zich al in 1952 onder de koepel van de 'Internationale commissie tot bescherming van de Alpen' - de CIPRA, volgens de Franse afkorting. De CIPRA zet zich in voor het instandhouden en beschermen van het natuurlijk en cultureel erfgoed in het Alpengebied. De in Liechtenstein gevestigde organisatie gaf onlangs haar eerste 'Alpenrapport' uit. Dit 480 pagina's tellende boek, dat gelijktijdig verscheen in de vier Alpentalen (Duits, Frans, Italiaans en Sloweens) houdt het midden tussen een almanak (met feiten en gegevens en hun interpretaties) en een jaarboek waarin een overzicht wordt gegeven van nieuwe wetenschappelijke en praktische ontwikkelingen. Het rapport omvat zeventig bijdragen van 77 auteurs uit de Alpenlanden over drie actuele thema's: natuur en landschap, toerisme en vrije tijd alsmede verkeer en transport.

In de eerste hoofdstukken wordt een overzicht gegeven van de ontstaansgeschiedenis van de Alpen ('de Matterhorn is een stukje Afrika op het dak van Europa') en van de dieren- en plantenwereld. Soms is er goed nieuws te melden zoals de 'terugkeer op kousenvoeten' van de beer en de wolf, die respectievelijk uit Slowenië en Italië zijn doorgedrongen tot de Franse Alpen. Maar de meeste artikelen handelen over minder gunstige ontwikkelingen onder het motto 'wat te doen en wat na te laten', zoals de titel van een hoofdstuk luidt. Meestal is het antwoord dat nalaten beter is en dat overleg en samenwerking met andere belangengroepen een voorwaarde is als tot doen besloten wordt.

Een voorbeeld is gebruik van rivieren, beken, meren en watervallen voor 'trendsportsoorten', zoals ze sceptisch worden genoemd, als kanovaren, riverrafting, hydrospeed, riverriding, fun-yak, flowboarding, riversurfing, canyoning en het klassieke duiken (“alleen plunging is er nog niet, maar dat kan binnenkort uitgevonden worden”). In het Alpengebied zijn waarschijnlijk jaarlijks 600.000 tot 800.000 mensen met dit vertier actief op en in het water, dat ook 'benut' wordt door krachtcentrales, jagers, vissers en natuurbeschermers. Om het evenwicht tussen al deze gebruikers te handhaven of, zoals vaker nodig is, te herstellen, moeten regels worden afgesproken en dat is vaak moeilijk. Zelfs tussen Alpenlanden bestaan soms grote verschillen - een andere trendsport, heliskiing, is in Frankrijk uitdrukkelijk verboden en in Zwitserland en Italië populair.

De vraag over nalaten en doen behoort tot het 'Alpenbewustzijn' dat een Zwitserse auteur in heel Europa wil bevorderen - “denken en handelen in het belang van het gehele Alpengebied, ver over dalen, bergtoppen en alle grenzen heen”. Met sympathie wordt melding gemaakt van de Nederlandse Alpen-organisatie NMGA en de 60.000 Nederlanders die lid zijn van twee Alpenverenigingen, al erkent NMGA-zegsman Joop Spijker dat in Nederland distributieland de transportsector “een machtige sleutelbranche” is, “veel sterker dan de milieulobby”.

Hoeveel sterker blijkt in een overzicht over de stand van zaken bij de uitvoering van de Alpenconventie die in 1991 werd gesloten door de Europese Unie en de Alpenlanden. In de conventie wordt de bescherming van het hooggebergte ernstig genomen en tevens wordt vastgesteld dat de bergbewoners aanspraak mogen maken op economische ontwikkeling die een waardig bestaan mogelijk moet maken. Voor zover het om bergbossen, bergboeren en natuur- en landschapsbescherming gaat - zaken die de Alpenlanden in de eerste instantie zelf aangaan en zelf kunnen regelen - zijn de doelstellingen van de conventie bevredigend vastgelegd in protocollen. Maar op het gebied van toerisme en verkeer is de conventie weinig meer dan een dode letter gebleven.

BLIK-LAWINES

Alle pogingen van Oostenrijk om het wegtransport door de Alpen (zoals via de Brenner Autobahn) aan banden te leggen, werden gedwarsboomd door Duitsland, Italië en de Europese Unie. De onderhandelingen verkeren al enige jaren in een impasse terwijl de “blik-lawines ten noorden en zuiden van de (Oostenrijkse) grenzen zich ophopen”. Concrete uitwerkingen van andere conventie-bepalingen waarvoor de medewerking van niet-Alpenlanden nodig is, zijn volgens de auteur van dit overzicht eveneens “in lethargie ondergegaan”.

De CIPRA probeert de Alpenconventie nieuw leven in te blazen door 'samenwerking van onderop' - 27 gemeenten, van Frankrijk tot Slovenië, hebben zich verenigd in een netwerk en proberen samen de conventiebepalingen en de afgesloten protocollen praktisch om te zetten in een 'duurzame economie'. Volgens Milan Naprudnik, voorzitter van het dagelijks bestuur van de Alpenconventie, is dit netwerk nu het “belangrijkste project om de conventie toe te passen”.

Het relatieve succes van het gemeentennetwerk heeft geleid tot nieuwe CIPRA-initiatieven zoals het opstellen van een 'zwarte lijst' van projecten die strijdig zijn met de conventie, een project om bedreigde huisdiersoorten en planten in de Alpen te redden, alsmede talrijke initiatieven van beperkte aard die deels betaald kunnen worden uit het nog op te richten Alpenfonds. Het Alpenrapport staat vol met dergelijke vaak interessante plannen en ideëen en levert daarmee een bijdrage aan het streven de Alpen te behouden voor de 11 miljoen mensen die er wonen en werken en de 100 miljoen mensen die er jaarlijks op bezoek komen.

Alpenreport. Uitg. CIPRA International/Haupt, Bern, Stuttgart, Wenen. ISBN 3-258-05672-2.