Wil je me slaan?; Kousbroek ontmoet zijn Japanse kampcommandant

Rudy Kousbroek reisde naar Japan voor de presentatie van de vertaling van zijn boek 'Het Oost-Indisch kampsyndroom'. “Er is het bekende clich´e van 'het Land van Goethe' dat zich ergens achter de nazi-horden moest bevinden; zo ontstond er voor mij 'het Land van Tanizaki' - van Kawabata, van Nagai Kafu, van Mishima.”

Een van de opmerkelijkste boeken die ik ken is Juffrouw Kachel van Toon Tellegen (Querido 1991). Juffrouw Kachel is een onderwijzeres, begiftigd met de diepe hardvochtigheid en liefdeloosheid die sommige volwassenen jegens kinderen aan de dag leggen; wat het boek weergeeft is de emotionele reactie daarop van een kind. Die reactie is niet zachtzinnig. 'Waarom droomde ik niet dat juffrouw Kachel werd onthoofd of in brand vloog of werd neergeschoten? Ik wou dat ik droomde dat ze een pad was en dat ik haar in een jampotje zette en vergat. Ik wou dat dat echt zo was. Ze mag ook van de trap vallen, thuis, en haar been op twaalf plaatsen breken. Ik zou haar ergens in de woestijn achterlaten. Voor de gieren.'

Je schrikt als je het leest. Juffrouw Kachel moet dood. Ik las het boek met ingehouden adem: ik herkende alles. Dat kind was ik, en juffrouw Kachel, dat was de directrice van mijn - tweede - Internaat (die ik wel eens beschreven heb als Mevrouw Ubu). Het uitzonderlijke van zo'n boek bestaat uit het durven schrijven ervan, het achterhalen van die later verdrongen gedachten, het zichzelf toegeven dat je haar werkelijk dood wilde. En niet alleen zij, ook de directeur van mijn eerste Internaat kwam in aanmerking, plus nog een paar anderen, naar mij onverwacht duidelijk zou worden tijdens mijn verblijf in Japan.

Ik doel op een gebeurtenis die zich voordeed op 11 september in Tokio, nadat ik een lezing had gegeven aan de Waseda Universiteit. Het schrijven van een verslag daarover wordt bemoeilijkt (of vergemakkelijkt) doordat deze gebeurtenis al wereldkundig werd gemaakt door Hans van der Lugt, de correspondent van deze krant in Japan, die erbij tegenwoordig was: 'Kousbroek oog in oog met vroegere kampbeheerder'. Het was geen bagatel. Van der Lugt beschreef het sober en precies: 'Ik was je kampcommandant', zei de Japanner, 'wil je me slaan?' Als door de bliksem getroffen stond Rudy Kousbroek vandaag in Tokio naast het spreekgestoelte. 'Welnee', zei Kousbroek nadat hij over de grootste verbazing heen was. 'Echt waar?' zei de Japanner. 'Echt waar', zei Kousbroek.

Zo gebeurde het inderdaad, maar de werkelijkheid is altijd nog iets gecompliceerder. Zo was er bijvoorbeeld het feit dat de ex-commandant (Ikegami Nobuo is zijn naam) dat 'wil je me slaan?' eerst in het Maleis zei. Dat maakte dat die gebeurtenis een ontzettende, een verpletterende authenticiteit kreeg, niet uit te leggen; de afstand van vijfenvijftig jaar vervloog tot niets, tot een ogenblik; zoals ik daar stond was ik terug in het kamp, en de gedachte die door mijn hoofd ging, een onderdeel van een seconde, was: die man moet dood.

Hoe kon dat, hoe was dat mogelijk? Het was, voor ik de gelegenheid kreeg om na te denken, of ik weer terugmoest in de internering - en tijdens de internering (ik was toen vijftien) dacht ik zo. Alle Japanners mochten wat mij betreft bij hun vaderen worden verzameld, kampcommandanten voorop. Maar nu schrok ik me lam: deze man leek een beetje op Henk Hofland en die mag absoluut niet dood.

Dwaling

Dit waren ongeveer de gedachten die zich in die fractie van een seconde aan mij voordeden. Daarna werd alles weer min of meer gewoon, het overheersende gevoel was: Goddank, het hoeft niet meer. En zo is het ook: een achterhaald gevoel, overbodig, een dwaling, niet van toepassing.

In dit geval niet alleen collectief maar ook individueel: deze kampcommandant was binnen de daar en toen heersende verhoudingen een respectabele kerel; hij was officier van een vijandelijk leger, maar hij sloeg niet, misdroeg zich niet, verzon geen kwaadaardige strafmaatregelen; zijn ondeugd was Japanner te zijn, maar dat was alles.

In die zin sprak ik mij ook uit toen ik er op die gedenkwaardige middag naar gevraagd werd, door Van der Lugt weergegeven als: 'Ikegami deed niets verkeerd. Ik zou niet weten waarvoor hij zou moeten zijn berecht.' Gezien sommige reacties hier in Nederland is zo'n uitspraak al voldoende om voor 'Jappenvriend' te worden uitgemaakt, maar gelukkig is er objectief feitenmateriaal om mijn zienswijze te ondersteunen. Toen Ikegami na de bevrijding in Medan in de gevangenis werd opgesloten heeft een aantal ex-ge¨interneerden uit kamp Si Ringo Ringo(*) zich ingezet om Ikegami uit gevangenschap ontslagen te krijgen. Zij hebben toen een rekest ingediend, op grond waarvan Ikegami inderdaad in vrijheid gesteld en gerepatrieeerd is.

De initiatiefnemer van dat rekest was Albert Besnard, voor de oorlog (en ik geloof ook nog een poosje erna) hoofdredacteur van de Sumatra Post. Het viel buiten het bestek van Van der Lugts bericht op de voorpagina, maar ik heb het gezelschap op Waseda daarna uitgebreid over Besnard en zijn antecedenten verteld, en over de rivaliteit die bestond tussen hem en Willem Brandt, de hoofdredacteur van de Deli Courant. Ik heb beiden gekend als mede-ge¨interneerden in kamp Si Ringo Ringo.

Die rivaliteit, die vooral van Willem Brandt uitging, zie ik nog steeds als tekenend voor de tweedeling tussen fatsoen en onfatsoen in de Indische wereld. Albert Besnard (1887-1966) was een gematigd man, wiens opvattingen ('sterk emotioneel bij Indonesi¨e betrokken', in de woorden van R. Nieuwenhuys) zijn te vinden in o.a. zijn bijdrage 'Verstoorde persoonlijkheid', in Baudet & Brugmans, Balans van Beleid (Assen 1961). Hij schreef gedichten en werkte na de oorlog nog een aantal jaren bij het Algemeen Handelsblad.

Willem Brandt (pseudoniem van W.S.B. Klooster) schreef ook gedichten en kwam na de oorlog bij De Telegraaf. Over de Japanse bezetting van Nederlands-Indi¨e schreef hij De gele terreur (1946). Ik heb er net weer in zitten lezen en sta versteld dat er nooit enig protest is gerezen tegen het openlijke racisme in dat boek. Ik doe maar een greep: 'de Jap, dat wezen - neen mannen zijn het niet - op zijn lage, kromme pooten, dat onder zijn jockeypetje aapachtig rondloert naar een gelegenheid om zijn aangeboren sadisme te bevredigen.' Japanners bij Brandt kijken niet, ze loeren of ze loensen; ze lachen niet, ze grijnzen, en 'als ze de mond open doen, praten ze niet, maar ze schreeuwen en brullen, als dieren, als kleine, gele, gevaarlijke dieren'. Wat mij ook treft als buitengewoon onsympathiek is de giftige hetze tegen Besnard, die hij beschrijft als 'De grootste der Politieke Tinnegieters', 'De Koning der Politieke Tinnegieters,' en voortdurend allerlei hoogdravende imbeciliteiten in de mond legt. Op bijna elke bladzijde staan onjuistheden; alles wordt aangedikt, tot de natuurrampen toe; zo schrijft hij bijvoorbeeld: 'De Natuur heeft ingegrepen en het kamp Si Ringo Ringo is door een cycloon vernietigd. Slechts enkele hongs staan nog overeind.' In werkelijkheid was een van de tien hongs gedeeltelijk in elkaar gewaaid.

Jappenvriend

Willem Brandt is ook degene die ons kamp, Si Ringo Ringo dus, het 'Bergen-Belsen van Azi¨e' heeft genoemd. Dat mag dienen als inleiding bij de problematiek die mij achtervolgd heeft vanaf het moment dat ik geprobeerd heb nuchter en eerlijk over de Indische internering te schrijven. Ook nu weer: omdat ik gezegd heb dat Ikegami zich niet aan wandaden schuldig heeft gemaakt manifesteren zich twee categorie¨en mensen: de ene die diep verbolgen uitroept dat ik een Jappenvriend ben die Japanse oorlogsmisdaden goedpraat, en de andere die concludeert dat ik 'dus' in een soft kamp zat (vakantiekolonie is een veel gebruikte term), en derhalve mijn mond moet houden want ik heb 'niets meegemaakt'.

Welnu, Si Ringo Ringo was een slecht kamp. Ik ben er bijna doodgegaan. Er zaten 2000 mensen, waarvan er 120 zijn gestorven aan tropische ziekten en ondervoeding. Dat is veel voor een vakantiekolonie, maar vergelijkingen met Bergen-Belsen kunnen beter achterwege blijven. In Bergen-Belsen stierven per 2000 mensen geen 120 mensen, maar 1500. De sterfte bij ons bedroeg zes percent, in Bergen-Belsen ruim zeventig.

Het antwoord dat ik hierop meer dan eens heb gekregen is dat ik een slecht mens ben, want wat ik hier doe is 'leed vergelijken'. Dat mag namelijk niet, en zo kunnen de Japanse kampen zonder tegenspraak voorgesteld worden als net zoiets als de Duitse. De waarheid is volgens mij dat instinctief geprobeerd wordt het onderscheid te verdoezelen, omdat het een groter slachtofferschap oplevert.

Ook kwesties als deze behoorden tot mijn verbazing tot de onderwerpen waarover vragen werden gesteld in de interviews die ik in Japan heb gegeven. Ik was verrast door de specificiteit van de vragen en de zorgvuldigheid waarmee de interviewers mijn boek hadden gelezen - anders dan in Nederland, waar de interviewers daar meestal tot hun spijt geen tijd voor hebben en het gesprek niet zelden begint met de vraag: 'Kunt U vertellen waar uw boek over gaat?'

Verreweg de meest gestelde vraag was waarom Japan zo gehaat wordt in Nederland. Want daarvan blijken de Japanners goed op de hoogte. Overigens ging het niet altijd alleen over Nederland, zo kwam ook meer dan eens ter sprake dat de Engelsen wel de Duitsers hebben uitnodigd voor de herdenking van VE-day, maar dat de Japanners duidelijk werd gemaakt dat ze niet welkom waren op de herdenking van VJ-day.

Nu is het onloochenbaar dat de Duitsers zich in de oorlog aan ergere dingen hebben schuldig hebben gemaakt dan de Japanners, en de werkelijke verklaring is ongetwijfeld dat het een kwestie is van racisme. Het merkwaardige is dat je, wanneer je zoiets gevraagd wordt, toch nog probeert om er redelijke motieven voor te vinden, zoals het feit dat de Duitsers duidelijker en in meer toonaarden excuses hebben aangeboden dan Japan. En dan komt de vraag waarom de krans, door premier Kaifu neergelegd bij het Indische monument, in het water werd gegooid. En hebben een latere premier, Hosokawa, en daarna premier Murayama, en recentelijk premier Hashimoto niet allemaal officieel spijt betuigd?

Het is niet te ontkennen: er wordt telkens opnieuw om excuses gevraagd en als die dan worden aangeboden worden ze verworpen. Onoprecht, niet nederig genoeg en wat dies meer zij. Niet onbegrijpelijk dat de nationalistische striptekenaar Kobayashi Yoshinori, die op het ogenblik in Japan furore maakt (zie het artikel van Hans van der Lugt van 23 september), met dat vergiffenisvragen de kachel aanmaakt.

Bevrijding

Een andere kwestie die in bijna elk interview aan de orde kwam was de vraag of Indonesi¨e en andere Europese koloni¨en in Azi¨e hun bevrijding aan Japan te danken hebben. Naar mijn overtuiging zeer zeker (zo luidde mijn antwoord), maar niet omdat de oorlog die Japan voerde daarop gericht was; het was er meer een bijprodukt van.

Er bestaat in Japan onmiskenbaar een streven zichzelf wijs te maken dat het de Pacific-oorlog om nobele redenen heeft gevoerd; met een nogal eigenaardige variant daarvan kreeg ik te maken in het interview dat mij werd afgenomen door een soort comit´e van drie heren voor het tijdschrift Shokun, in het indrukwekkende hoofdkantoor van de uitgeverij Bungei Shunju, iets als Gallimard in Parijs maar dan nog veel groter. Het hoofd van het driemanschap was de in Japan bekende criticus Fukuda Karuya, over wie ik al gehoord had dat hij in Parijs gestudeerd of in elk geval gewoond had. Godzijdank, dacht ik, eindelijk iemand van wie ik zeker kan zijn dat ik hem goed begrijp; maar dat viel tegen: hij trok van leer in een Japans waar zelfs mijn vertaalster, Noriko de Vroomen, bijna geen touw aan vast kon knopen. Na een poosje begon ik te begrijpen waarom - het was die French Connection: hier hadden Derrida, Deleuze, Baudrillard en Lacan hun noodlottige invloed gehad.

Misschien moet ik hier net als die cartoonist Kobayashi in zijn boek Sens–oron uitroepen: mag ik misschien even arrogant wezen? Het feit is dat ik altijd een soort koloniaal gevoel krijg wanneer niet-Europeanen het jargon van zulke postmoderne obscurantisten proberen te imiteren: dat is Frans speelgoed (of Duits: Heidegger), dat is niet voor jullie; tai koetjing [kattepoep], zoals ik eens spontaan uitriep tegen een jonge Indonesi¨er die in dat taaltje begon. Die Fukuda was een soort Japanse Arnold Heumakers, vergiftigd door woorden die niets betekenen; en dat in dienst, vrees ik (net als Heidegger goedbeschouwd), van nationalistische leugens. Onnodig te zeggen dat ik nogal nieuwsgierig ben naar hoe deze discussie in het tijdschrift Shokun zal verschijnen.

Het interessantste gesprek had ik met een columnist van het tijdschrift Sapio, genaamd Yoshitaka Inomata; dat kwam eigenlijk het meest in de buurt van gewoon een gedachtenwisseling met een verstandig mens, zonder dat gevoel van vervreemding dat anders wel eens op de loer lag - een gevoel, als ik het juist analyseer, of je ieder ogenblik kan stuiten op een muur van na¨iveteit.

De meeste interviewers vroegen of er ook dingen waren waar ik een hekel aan had in Japan; ik gaf daarop steeds hetzelfde antwoord: aan de Japanse cultus van uniek en voor buitenlanders onbegrijpelijk te zijn.

Die cultus is verminderd maar nog steeds vrij sterk; nog veel sterker is de drang om bewonderd te worden, ja om te worden liefgehad. Je wordt bestookt met emotionele vragen in de trant van: wat denkt U hiervan in Japan, wat denkt U daarvan in Japan, wat vindt U van Japan? Ik vestigde daar dan hun aandacht op en vroeg: wat kan het jullie schelen? Waarom laat het je niet koud wat anderen van jullie denken? En dan citeerde ik de hypothese over de Japanse gewelddadigheid van Agnes Keith in Three Came Home, en au fond ook van Leo Jansen in In deze halve gevangenis: dat het gedrag van de Japanners tijdens de oorlog leek te betekenen: bewonder ons of we slaan je dood!

Het lijkt aannemelijk dat dit verklaard moet worden uit een reactie op de barri`ere en de vernedering van het racisme. Verschillende interviewers leek hierbij een licht op te gaan, maar misschien is dat een ijdele illusie. Er was van de zeven interviews (vijf met de voornaamste dagbladen en twee met literaire tijdschriften) nog niet een verschenen toen ik Japan verliet. Ik ben benieuwd.

Nazi-horden

Het merkwaardige is dat ik dat over de jaren ook inderdaad ben gaan doen: Japan bewonderen. Wat begon als een reactie op de leugens die ik sommige ex-ge¨interneerden hoorde vertellen groeide uit tot een toenemende belangstelling voor het land waar de mensen vandaan kwamen die ons in Indi¨e zo moeiteloos in het stof hadden doen bijten, en een van de dingen die ik ontdekte was een weergaloze literatuur. Er is het bekende clich´e van 'het Land van Goethe' dat zich ergens achter de nazi-horden moest bevinden; zo ontstond er voor mij het 'Land van Tanizaki' - van Kawabata, van Nagai Kafu, van Mishima, van talloze anderen, manifestaties van een grandioze civilisatie. En dan zwijg ik nog van de meesterwerken op ander gebied - op de dag dat ik in Japan arriveerde zag ik de krantekoppen met het nieuws van de dood van Kurosawa - zoals de film. Wat ik hier ook buiten beschouwing laat is de sublieme literatuur uit vroegere eeuwen, toen wijzelf nog zowat in beestenvellen rondliepen.

Het feit is uiteraard dat wij tijdens de oorlog vooral te maken kregen met het soort mensen waar bij ons het voetbalgespuis uit voortkomt. Mensen die je niet aan durft te kijken (uit Juffrouw Kachel: 'Van voren lijkt ze nergens op of dat weet ik eigenlijk niet, want ik kijk haar nooit goed aan. Als je haar in haar ogen zou kijken dan z´o´u je toch een klap krijgen, denk ik.').

De anderen waren er ook wel, maar die zag je niet. Een ervan was Ayukawa Nobuo, een van de grootste dichters die ik ken en die, naar ik jaren geleden ontdekte, tegelijk met mij (en met Hoflands dubbelganger, kampcommandant Ikegami) op Sumatra moet zijn geweest. Bij het uitbreken van de oorlog studeerde hij Engels, maar hij moest in dienst. 'Als soldaat 2e klasse van het vierde regiment Infanterie der Konoye-Divisie vertrekt hij april 1943 naar Noord-Sumatra. Door tropische ziektes verzwakt wordt hij op een hospitaalschip, samen met doden en gewonden, in juni 1944 teruggebracht naar Japan. Het was een lange reis die later in een reeks van indrukwekkende oorlogsgedichten zijn neerslag en po¨etische verwerking heeft gevonden. In een legerhospitaal weer op de been geholpen keert Ayukawa na de verloren oorlog uit de dood terug in de woestenij van het 'barre land' dat Japan heet.' (uit de inleiding van Cornelis Ouwehand bij diens vertaling van 25 gedichten van Ayukawa, Mens op de brug, Meulenhoff 1989).

Soms denk ik hoe hij misschien luttele kilometers van mij vandaan was toen ik ge¨interneerd was op Soengei Sengkol, misschien heb ik hem zelfs wel eens gezien - hij die de oorlog haatte en lak had aan de 'belofte der goden' die stervende soldaten van het Japanse leger in het vooruitzicht werd gesteld: De oorlog vervloekend

stierf hij

's nachts in de Chinese Zee

in een kajuit van een het hospitaalschip

weigerde hij iedere beloning der goden

en zonk voor eeuwig weg in de dood.

(fragment uit: 'Soldaat der Goden') Ook voor Ayukawa was de oorlog nooit afgelopen: O voorzegde tijd, nauwelijks aangebroken

en zo snel voorbij

'Samen met miljoenen van dodenzielen

bevrijdt de verloren oorlog ook mij'

dat heb ik, innerlijk verbloedend

dom genoeg lang willen geloven.

(fragment uit: 'Als er een morgen zal zijn', vertaling Cornelis Ouwehand) (*) Op advies van Sitor Situmorang houd ik mij voortaan aan de spelling Si Ringo Ringo; naar hij zei is dat de juiste uitspraak van deze Batakse plaatsnaam.