Wij zijn Turks maar niet helemaal; Poëzieles op de basisschool

Poëzie weerklinkt op schoolpleinen en in klaslokalen, want het thema van de Kinderboekenweek, volgende week, is 'Van rijm tot rap'. Beginnende dichters hebben een onderwerp nodig.

De geciteerde gedichten staan in 'Waar ik woon' (Zirkoon 1998) van Stichting Kinderen en Poëzie.

Irene Bakker uit Den Haag neemt altijd een schilderij mee naar de poëzieles. “De kinderen hebben een onderwerp nodig en een plaatje is een goed aanknopingspunt.” Een favoriet plaatje is 'Het Melkmeisje' van Vermeer. Het inspireerde groep 4 van basisschool De Holm tot het gedicht:

Ik ben het melkmeisje van Vermeer Ik schenk melk van Melkuniekoeien Zonder te morsen En zonder te knoeien Tijdens de Kinderboekenweek staat 'gedichten schrijven' hoog op de roosters van de basisscholen. Maar wat gebeurt er als de week voorbij is? Hoe is het gesteld met het poëzie-onderwijs op de Nederlandse basisscholen?

Een keer per maand. Zo vaak geven de fanatiekste leraren les in poëzie. Bij de minder fanatieken zal dat eerder eens per jaar zijn. “Er wordt weinig - en zeker niet systematisch - aandacht aan poëzie besteed”, zegt Jannemieke van de Gein, schrijver van de nieuwe taalmethode Zin in taal. “Taalonderwijs moet tegenwoordig vooral 'functioneel' zijn. Kinderen leren bij taalles hoe ze een acceptgiro moeten invullen. Het is verschrikkelijk.”

Van de Gein schrijft zelf een taalmethode en zou het probleem dus bij de wortels kunnen aanpakken: “In Zin in taal heb ik relatief veel poëzie opgenomen. In het boek voor groep 5 en 6 zitten negen poëzielessen. Dat is ongeveer eens in de drie weken. Het staat leraren echter vrij om die lessen over te slaan. Daar heb ik geen invloed op.” Zij wil geen al te treurig beeld schetsen van het poëzieonderwijs: “Er zijn altijd scholen waar een enthousiaste leraar rondloopt die iedereen meekrijgt.” Verder wijst ze op de vele ideële stichtingen die de dichtkunst verspreiden door lespakketten aan scholen te leveren.

Stichting Kinderen en Poëzie in Drunen is zo'n club. Elk jaar organiseert de stichting een dichtwedstrijd waar zo'n veertigduizend scholieren aan meedoen. De vele inzendingen laten zien dat er op de scholen wel degelijk gedicht wordt. “Ik zie dat de kwaliteit stijgt”, zegt jurylid Herman Kakebeke. “Dat betekent toch dat er meer leerkrachten zijn die het nut er van inzien.” De beste gedichten worden gebundeld. De stichting levert ook een lesboek, Het huis lijkt wel een schip. Kakebeke: “Want we hopen natuurlijk dat de leraren de rest van het jaar blijven doorgaan met poëzie.”

Een andere club die zich inzet voor de verspreiding van de dichtkunst is BoekieBoekie uit Rotterdam. Door de onorthodoxe aanpak staan de mensen van BoekieBoekie enigszins buiten het wereldje van leesbevorderende stichtingen. Hun lesboek Het Lees- en Zwoegboek is niet op leraren, maar op kinderen gericht. Lezers moeten hun grote teen opmeten en de geur van de deken in een hondenmand conserveren. De club komt ook langs op scholen en zet dan een bont beschilderde zeecontainer op de speelplaats. Daarin kunnen kinderen ongestoord dichten.

Dichtzitje

Op haar eigen school in de Schilderswijk geeft lerares Rita Baptiste uit Den Haag al jarenlang enthousiast dichtcursussen en heeft ze de bibliotheek omgevormd tot een drukbezocht centrum met middenin een zelfgebouwd 'Dichtzitje'. Vorig jaar bouwde zij een 'Poëziemuseum' dat momenteel een toernee maakt langs Haagse scholen. Het museum is een uit hout opgetrokken 'eiland' van twee bij drie meter. Op het strand liggen 'aangewaaide woorden'. Verder staat er op het eiland een 'woordenschat' met daarin mooie dichtregels. Bezoekers kunnen de woorden 'jutten' en ze gebruiken in een gedicht.

Leraar Paul Vierboom verspreidt het woord in de Rotterdamse achterstandsbuurt Crooswijk. Zijn lesmethode legde hij vast in het ideeënboek Dichters op school, dat nu op vele scholen in gebruik is. Vierboom doet bescheiden over zijn boek: “Ach, die ideeën heb ik overal vandaan gepikt. Daar zit niets origineels bij.” Zelf is Vierboom niet eens een uitgesproken liefhebber van poëzie. “Maar ik werk op een school waar 98 procent van de kinderen allochtoon is. Taalonderwijs heeft bij ons dus prioriteit nummer één. En poëzie speelt daarin een belangrijke rol.”

Volgens Vierboom kunnen kinderen met taalachterstand zich snel leren uitdrukken in zoiets kernachtigs als een gedicht. “Een verhaal schrijven is nog veel te moeilijk voor ze. Met een beperkte woordenschat kun je toch al snel een kort gedicht schrijven.” Vierboom werkt in een moeilijk gebied met veel culturen “waarin een boek een ongebruikelijk artikel is”. Enthousiasme over wat ze lezen of dichten kunnen de kinderen thuis niet kwijt. “Wat dat betreft moet de school de ouders voor een deel vervangen.”

Gedichten van allochtone kinderen gaan vaak over het gevoel tussen twee culturen te vallen. Tolga Uzelakcil en Ferhat Olcay hebben dat bijvoorbeeld prachtig verwoord:

Wij zijn Turks maar niet helemaal

We kennen de Nederlandse taal

Wij zijn geboren in Enschede

en drinken thuis vaak Turkse thee

Rotelfjes

Hoe ziet een doorsnee poëzieles er eigenlijk uit? Het begint altijd met het voorlezen en bespreken van beroepsdichters. Irene Bakker van stichting Het Koorenhuis in Den Haag, neemt bij voorkeur wat vagere, vrijere gedichten van Hanlo, Bernlef, Schippers of Herzberg. Bakker: “Nee, niet altijd weer die eeuwige Annie M.G. Schmidt. Kinderen vinden haar gedichten geweldig maar ze nodigen niet uit tot zelf dichten. Schmidt schreef vooral verhalende, grappige gedichten met een ijzersterk metrum en rijmschema. Dat is voor kinderen veel te moeilijk. Die kunnen beter beginnen met een niet-rijmend, niet-verhalend gedicht.”

Ook andere mensen die poëzieles geven beamen dit. Klassieken van de kinderpoëzie als Schmidt, Willem Wilmink en Shel Silverstein zijn populair bij de kinderen, maaar ongeschikt als voorbeeld. Vreemd is dat de leraren in plaats daarvan voor dichters voor volwassenen kiezen. Terwijl er ook jeugddichters zijn die vrije verzen schrijven, Ted van Lieshout bijvoorbeeld. Van de Gein: “Ik wilde het gedicht 'Engel' van Van Lieshout opnemen in mijn boek. Maar de uitgever vond het te controversieel. Met pijn in mijn hart heb ik het er toen uitgehaald.” 'Engel' gaat over een jongen die zijn moeder dood wenst.

Zoals gezegd laat Bakker de kinderen altijd dichten aan de hand van een schilderij. “Ik neem het liefst abstracte, expressionistische schilderijen, zoals van De Kooning, Appel of wat gekke dingen van Malevitsj. Bij dat soort plaatjes kun je het beste fantaseren. Daarna ga ik begeleid associeren. Ik stel vragen als 'Wat denk je dat dit voorstelt?', 'Waar valt als eerste je oog op?'. Met die associaties vormen de kinderen een verhaal en daaruit halen ze steekwoorden. Met deze steekwoorden maken ze een gedicht.”

Het bovengenoemde 'Melkmeisje' is volgens Bakker meer voor gevorderden. “Het verhaal bij een realistisch schilderij ligt al veel meer vast, zodat ze er zelf niet veel aan toe kunnen voegen. Dat is dus moeilijker.”

De meeste leraren kiezen voor een soortgelijke methode: een thema, soms ondersteund door een plaatje of door muziek; daarna vrij associëren tot een verhaal ontstaat. Dit indikken en in een afgesproken dichtvorm gieten. Dat kan bijvoorbeeld een rondeel, een naamdicht of een haiku zijn. Daarna volgt het klassikaal bespreken en het herschrijven van de gedichten.

Een dichtvorm die buitengewoon populair is bij de leraren, is het 'elfje', een dichtvorm waarbij elf woorden als een halve kerstboom (1-2-3-4-1) onder elkaar worden gezet. Van de Gein: “Kinderen hebben een vaste vorm nodig en het elfje is de eenvoudigste en makkelijkste dichtvorm.” Volgens Vierboom is de elf zelfs inzetbaar bij kleuters. In zijn boek onderscheidt hij de groepself, de dierenelf, de vriendenelf en de knuffelelf. Een typische vriendenelf is:

Soepkip/ mijn broer/ hij is leuk/ ik speel met hem/ urenlang.

Jet Manhro van BoekieBoekie heeft als enige een uitgesproken hekel aan deze versvorm: “Altijd weer dat rotelfje”, verzucht ze, “ze moesten ze verbieden. Het is pure taalverkrachting.”