Verliefd op het Nieuwe Testament

L.F. Rosen: Onhandig hart. Van Oorschot, 51 blz. ƒ 27,50

Al het aardsch geluk heette de vorige bundel van L.F. Rosen. In bijna veertig verzen bezong de Sliedrechtse dichter de lof van zijn alledaagse herinneringen. Herinneringen aan een protestantse jeugd vol welbehagen waren dat. Een lichte ironie was de teksten niet vreemd, al werd nooit ronduit afgedongen op de tussen de regels door meeneuriënde melancholie. 'Wasdag, strijkdag', 'Met Moeder op kerkepad, een ansicht' of 'De Dordtsche leerregels' waren kenmerkende titels. Rosen hield van de testamentische sch, en ook in bredere, stilistische zin omarmde hij het maniërisme.

Dat doet hij ook in Onhandig hart, zijn vierde dichtbundel na Adel (1994), Al het aardsch geluk (1995) en Laatste slagen (twaalf verzen bij de jaarwisseling 1997-1998). Maar ditmaal is niet het aardse, het alledaagse zijn onderwerp.

De gedichten in Onhandig hart gaan over de mystiek van het leven en wat daarna komt: van het gedeelde moederlichaam tot en met de 'laatste slagen'.

De bundel opent met het gedicht 'Engelachtig', dat zich in het eerste kwatrijn al als een dichterlijk zelfportret laat lezen: Hij heeft zijn netten in de schemer uitge- spreid en van het fijnste draad een fuik geweven. Hij gaat de lijnen langs. Zijn jachtgebied is uitgebreid. Met raadsels zijn de paden die hij gaat omgeven.

Over die raadsels gaan de veertig overige gedichten. De eerste zestien, met als palindromische serietitel 'Zo het begon, begon het zo', beschrijven de geboorte en de kindertijd tot aan de eerste stappen op weg naar de liefde. Indrukwekkend in deze afdeling is het gedicht 'Namen' - over dat vreemde etiket dat ieder kind in de wieg krijgt opgespeld, maar dat zolang je leeft nooit echt van jezelf wordt, want Zo ondragelijk welhaast is elke naam, en gewichtloos dat hij slechts in steen komt vast te staan.

Mannen spelen in Onhandig hart een ondergeschikte rol. In de eerste afdeling komt slechts de 'Tweede vader' ter sprake. Tweemaal: als de Heere, die nooit ver was ('Nooit ver genoeg / dat wij ons buiten waagden zonder christendom') en als 'De vader van de bruid'. Tijdens de kalverliefde is de jongen bij Rosen al de mindere van het meisje. Het titelgedicht van de bundel verbeeldt de eerste liefdesstappen niet ongeestig als een kennismaking met het schaakspel: 'Eerste zetten. Geen strijdplan nog. Alles wit / voor ogen. Aan een elastiekje zitten al je stukken. (...) Haar blik reikt verder. / Je ziet dat niet nu je met elke slag verliefder wordt.'

Net als in zijn eerdere bundels is Rosen het sterkst wanneer hij het rijm weet te negeren. Wanneer hij zich met bestudeerde nonchalance in parlando uit. In Onhandig hart leidt dit tot minstens één juweel: het gedicht 'Dochter'. Lang heb ik je niet gevolgd. Nauwelijks overgangen gemerkt, geboekstaafd: Licht en donker, dat zat toch al in je, daar hoef ik geen woord meer bij te leggen, weet toch iedereen, dat je blij, bang en kind kon zijn als ieder kind. Met je moe der was het wat anders. Die zag ik alle nachten wel een keer. Ik heb daar niet de juiste woorden voor. Wel veel. Dat komt door haar afwezigheid en door mijn honger, denk ik, die zich verdubbelen in jouw beeld. Zeker, nu jij daar loopt met ook zo'n lijf, waar ik van schrik.

In alledaagse taal is verbazing hier als durend raadsel verwoord. Wat wordt medegedeeld is weliswaar versluierd, maar dat is niet het gevolg van Rosens formulering, van zijn beschrijving, maar van de intimiteit van wát hij beschrijft.

Die intimiteit zelf is onaanraakbaar. Hooguit kan een lezer wat hier schuilgaat toetsen aan eigen beleving.

'Dochter' is een uitzondering. Veel gedichten in Onhandig hart laten zich niet of uiterst moeizaam openbreken. Rosens metaforen appelleren niet aan een algemeen beeldenarsenaal. Dan is het alsof hij een vergelijking met twee onbekenden presenteert.

Zo cryptisch is bijvoorbeeld 'Het gouden geloof I' en de pendant daarvan, die de tweede helft van de bundel opent. 'Het gouden geloof van hen op een andere planeet' heet die afdeling. Dat suggereert een astronomisch perspectief, maar bij nadere beschouwing blijkt het hiernamaals in de laatste 24 gedichten toch weer een bijbels concept. De beelden die Rosen in deze afdeling over vergankelijkheid en sterven hanteert ademen de geest van de Openbaring van Johannes. Dat maakt ze afstandelijk. Liever is Rosens poëzie mij als hij zijn onderwerp in het ondermaanse zoekt, zoals in 'Het lied van de boerin'.

De kwaliteit van de gedichten in Onhandig hart is dus wisselend. Al het aardsch geluk leek minder bewust gecomponeerd, maar was consistenter van vorm en toon. Misschien markeert deze vierde bundel een overgang in Rosens oeuvre. Hopelijk kiest hij dan niet de mystieke weg van Johannes, maar de aardse van 'Dochter'.