Vangnet

Komt hij nou of komt hij niet. Dat dacht ze steeds maar voor de voorstelling begon. Nu is ze in de lucht. Maar ze weet nog hoe ze daar stond en vanachter een gordijn op het publiek lette. Om te weten of hij kwam. Of hij misschien speciaal voor haar kwam. Maar hij is er niet.

Vroeg een vrouw eens of ze in de lucht ook ergens aan dacht. Nee, zeker, vast niet, ze moest opletten dat ze niet viel en dan dacht je toch nergens anders aan?

Laat ze de ene zwaaiende stok los, gaat ze over de kop, ziet ze hem zitten, pakt ze de andere zwaaiende stok, staat ze op een plank rechtop, draait een arm omhoog, dankt het publiek. Dat ze hem nou net moest zien toen ze helemaal niets aanraakte, ze bloost, niet erg, niemand ziet dat zo hoog in de lucht. Zwaait zichzelf nog hoger weg, neemt ze alles mee waar ze aan denkt, kan ze wat ze denkt verplaatsen, wat een stomme vraag, natuurlijk denk je door de lucht, alles kun je meenemen naar plekken waar geen ander komt.

Gelukt! Staat ze alweer op een plank, gaat die andere arm omhoog in zo'n dankdraai, wat een macht. Wat een macht om hoger te zwaaien dan iedereen, wie hunkert er onder haar niet om ook zo hoog te kunnen gaan.

Was dat vangnet er nou maar niet, zou hij zien dat ze voor helemaal niets bang is, stok los, over de kop, andere stok, dat ze het wint van de grond. Hij is er voor de tweede of misschien wel derde keer. Dankdraai, lichte buiging, moet ze straks zo plotseling langs hem gaan lopen, tegen hem aanbotsen, per ongeluk, hoe doe je dat?

Zonder vangnet mag het niet, is ze nog te jong voor, hoe loop je nou tegen iemand aan? Als ze nog hoger gaat, botst hij straks vast tegen haar aan, stok los, over de kop, andere stok los, over de kop, staat ze daar na twee draaien in het niets met beide armen geheven voor het publiek.

Kijkt ze naar hem bij de volgende draai, bij de laatste draai. Was dat vangnet er nou maar niet.