Universiteit en overheid moeten tot bezinning komen

De wetenschappelijke kernopdracht van de universiteit is niet eerder zo verwaarloosd als tegenwoordig, meent Patricia Huisman. Dit is het gevolg van kortzichtige en ongefundeerde opvattingen, en van een karikaturale marktideologie die wanprestaties bevordert.

Links en rechts in het politieke spectrum horen we dezer dagen dat men wetenschap en onderwijs niet aan de markt kan overlaten. Onder de hoede van de overheid zouden universiteiten weer serieus werk moeten maken van hun wetenschappelijke kernopdracht. Toch is alleen het terugdringen van de markt niet genoeg om wetenschappelijk orde op zaken te stellen. De universiteiten en de overheid moeten zich diepgaand bezinnen op fundamentele vragen over de wetenschapsbeoefening, ook zonder uitverkoop op de markt.

Tot ongeveer 1960 was de onbetwiste kernopdracht van de universiteit wetenschapsbeoefening, gericht op groei van kennis. Omdat we de waarde en het maatschappelijk belang van kennis van tevoren konden overzien, waren aan de richting van die kennis geen restricties verbonden. Kennisverwerving was vrij en diende geen ander doel dan het voortbouwen op bestaande inzichten, in de hoop dat dit de samenleving ten goede kwam. Het was een op zichzelf staande prioriteit. Het universitair onderwijs was in deze opzet dienstbaar aan de wetenschappelijke kernopdracht. Het moest voorbereiden op een zelfstandige wetenschapsbeoefening, met als bijtaak het voorbereiden op een maatschappelijke beroepspraktijk waarvoor een wetenschappelijke opleiding nodig is.

Het realiseren van die kernopdracht vereist dat het onderwijs wordt toegesneden op de onderzoekstaak, en dat we de onderzoeksresultaten in het onderwijs integreren.

Een goede afstemming tussen fundamenteel en toegepast onderzoek garandeert maatschappelijke relevantie. Gehinderd door gebrek aan visie, belangen en wetenschappelijk disfunctioneren zijn universiteiten er echter nooit in geslaagd aan deze voorwaarden te voldoen. Dit eigen onvermogen schept uiteindelijk de ruimte voor overheidsmaatregelen die de tekortkomingen niet verminderen maar juist verder aanscherpen. De overheid blijkt een slechte hoeder te zijn.

In de jaren tachtig splitste de overheid de kernopdracht van de universiteiten, wetenschapsbeoefening, in twee afzonderlijke taken: onderwijs en onderzoek. Het onderwijs werd een eigen doel op zichzelf. Er kwam een initiële opleiding, die niet meer noodzakelijk aan wetenschap refereerde en zelfs niet meer aan beroepen die een wetenschappelijke opleiding vergden, en een tweede fase-opleiding tot onderzoeker.

De Wet op het Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (1993) sprak nog van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek als kerntaken. Later was dit nog slechts 'het verzorgen' van onderwijs, gericht op de arbeidsmarkt, met behoud van de 'wetenschappelijke identiteit', zoals blijkt uit de verschillende HOOP-nota's en de reacties hierop. Maar wat die 'wetenschappelijke identiteit' is legt niemand meer uit.

De overheid verleent evenmin haar exclusieve steun aan programma's waarin fundamenteel en toegepast onderzoek een coherent geheel vormen, maar legt de universiteiten eerder onderzoeksthema's op die overwegend toepassingsgericht zijn. Aangevuld met de bij universiteiten toch al sterk toegenomen oriëntatie op de markt, is het toegepast onderzoek inmiddels in elk type geldstroom dominant aanwezig, zowel binnen als buiten de universiteit, nationaal als Europees.

Door veel toegepast onderzoek fundamenteel te noemen, houdt men nog de schijn op van een evenwicht. En in plaats van universiteiten te dwingen met inhoudelijke, wetenschappelijke criteria te komen voor de beoordeling van dat onderzoek, stelt de overheid kwantitatieve eisen, en wil ze een goede beoordeling van de 'maatschappelijke kwaliteit'. Dit bevordert wanprestaties maar biedt ook een rookgordijn waarachter beide partijen zich verschuilen, blind als ze zijn voor wetenschapelijk falen. De overheid kijkt alleen naar de centen en zoekt geen wetenschappelijke maar politieke legitimatie van de bestedingen. De universiteiten zijn zelfgenoegzaam over de eigen prestaties en kijken vooral naar de bedrijfsmatige belangen. Eenstemmig bezingen ze de topkwaliteit in Nederland.

De falende overheid en universiteit verzinken in een dodelijke omhelzing van de markt. Veel van het met publieke middelen gefinancierd onderzoek en onderwijs dient nog slechts private belangen. Nooit eerder is de wetenschappelijke kernopdracht zo verwaarloosd als tegenwoordig, zowel binnen de universiteit als daarbuiten. Kortzichtige en ongefundeerde ivoren toren- demagogie en de evenzeer kortzichtige en karikaturale marktideologie hebben de waardenbasis van die taak (wetenschappelijk: respect voor de waarheid in de zoektocht naar kennis; maatschappelijk: kennis als doel op zichzelf, met een eigen plaats in de waarden hiërarchie van de samenleving) ondergeschikt gemaakt aan het profijt dat valt te behalen met kennis en ten koste van kennis.

Maar het wetenschappelijk functioneren van de universiteiten is onbespreekbaar. Elke partij heeft zijn eigen belang bij het behoud van de status quo, ook de universiteiten. Gezamenlijk houdt men de schijn op van kwaliteit, ieder met zijn eigen argumenten. Voorstanders van de markt beroepen zich op de grote commerciële successen van instellingen als MIT of TNO, anderen wijzen op de derde plaats die Nederland inneemt op de lijst van de meest geciteerde wetenschappelijke publicaties per natie. Maar commercieel succes en een hoge citatiescore zijn nog niet hetzelfde als wetenschappelijk succes en een hoge wetenschappelijke kwaliteit. Citatiescores meten de kwantiteit in de hoop dat dit iets zegt over de kwaliteit. Dit laatste is heel vaak niet het geval. Wie wat publiceert wordt meer sociaal en psychologisch dan wetenschappelijk gestuurd. Ook de commercie garandeert niets, want hier telt vooral de geschatte bruikbaarheid van kennis. En wetenschappelijk discutabele 'kennis' kan zeer bruikbaar zijn of lijken.

Initieel onderwijs aan universiteiten is vaak niet meer dan een 'HBO-plus-titel' opleiding, waaraan een sausje van 'academische vorming' weinig zal verbeteren. Het is bovendien hinken op twee gedachten. Want waarom zou je iets academisch willen als je tegelijkertijd het bedrijfsleven in het universitair onderwijs laat oprukken?

De tweede fase van het onderwijs, het AIO-schap, is een veredelde voortzetting van de eerste fase, omdat men eigenlijk niet zo goed weet welke houding, kennis en vaardigheden nodig zijn om de wetenschappelijke taak te vervullen. Dus wordt er een beetje voortgebouwd op de overbodige en vaak onwetenschappelijke ballast die in de voorgaande initiële opleiding eigen is gemaakt. De kwaliteit en relevantie van AIO-proefschriften is doorgaans bedroevend laag. Het is een troost dat ze door hun groeiend aantal nog flink wat geld in het universitaire laatje brengen.

We kunnen er niet omheen: de markt is weliswaar een belangrijke bedreiging voor de wetenschap maar zeker niet de enige. Ook de overheid en de universiteiten zelf ondermijnen de wetenschapsbeoefening.