'The King and I' is een tot in de puntjes verzorgd sprookje

“'t Zijn net wilden, hè mama?” zegt het zoontje van de Engelse weduwe als ze, vlak na hun aankomst in Bangkok, de eerste inwoners van Siam zien.

“Ja”, zegt zij, maar na de openingsscène is in de musical The King and I van die houding weinig meer te merken. Hoewel het als gouvernante haar taak wordt de 67 kinderen van de koning van Siam in Westerse stijl te onderwijzen, kijkt ze op het oosten niet neer. Ze verzet zich tegen het koninklijke despotisme, en diens veelwijverij, maar het is niet háár idee hier aan het werk te gaan - het is de monarch zelf, die naar Europese maatstaven wil doorgaan voor een beschaafd iemand om zodoende zijn land te beschermen tegen de imperialistische kolonisatiedrift van de Britten.

The King and I, geromantiseerd naar de memoires van de weduwe Anna Leonowens die in 1862 in dienst trad aan het hof van de Siamese koning, is in Nederland nooit eerder gespeeld. Hier draaide alleen de verfilming uit 1956, met Deborah Kerr en Yul Brynner. De versie van het Koninklijk Ballet van Vlaanderen, die gisteravond in première ging, is de eerste Nederlandstalige theaterproductie van de succesmusical van Rodgers & Hammerstein. En pas nu valt daarin op wat in de jaren vijftig nog nauwelijks iemand opviel: hoe eenzijdig Westers deze visie op het negentiende-eeuwse Siam is. Anna laat de koning zo veel mogelijk in zijn waardigheid, maar ze neemt niets oosters van hem over. Alleen hij moet (en wil) zich aanpassen.

In de eerste plaats moet hij correct Engels leren spreken, hoewel dat in deze vertaling vanzelfsprekend neerkomt op correct Nederlands. Dat lukt bijna, maar niet helemaal. Verder dan een soort Klukkluks (“u buitengewoonlijk moeilijke vrouw”) komt hij niet, hoewel hoofdrolspeler Jef Demedts daar gelukkig geen al te koddig nummer van maakt. Te koddig zijn wel de hofnar-achtige huppeltjes die hij maakt als Anna hem leert dansen. Demedts, een veteraan van het Vlaamse toneel, is er nog niet in geslaagd een spannend midden te vinden tussen zijn martiale status en zijn verlegenheid jegens zo'n vrijgevochten vrouw uit het Westen. Hij zou een man uit één stuk moeten zijn, maar hij aarzelt, en maakt daardoor minder indruk dan mogelijk zou zijn.

In de film groeide en broeide onder het verhaal de toenadering tussen de vorst en de gouvernante. Die spanning, des te erotischer omdat er geen vervulling op volgt, blijft in deze productie goeddeels achterwege. De koning laat er niets van merken, en Linda Lepomme (tevens artistiek directeur van het ensemble) in de rol van Anna evenmin. Ze is ideaal als kinderjuf, laat aan het hof vele harten smelten en zingt haar songs bekoorlijk als een nachtegaal. Maar wat er verder in haar omgaat, is veel minder evident. En wat in haar geval ook niet helpt, is de vertaling van haar belangrijkste lied. Het bitterzoete “Hello young lovers, wherever you are” is veranderd in het gekunstelde: “Wie lief heeft, wordt door wie lief heeft herkend.”

Wat er aan de buitenkant van The King and I overblijft, is een tot in de puntjes verzorgd sprookje. Het toneelbeeld is een toonbeeld van sierlijke eenvoud, met oogstrelende kostuums, snelle scènewisselingen en tientallen trippelende teentjes om de hoofdpersonen heen. Alles oogt oosters, zodat goed voorstelbaar is hoe anders Anna was in haar hoepelrokken. En de parelende melodieën van Richard Rodgers klinken uit de orkestbak soms iets te veel naar de elektronische versterking, maar in de meeste nummers triomfeert het authentieke geluid van strijkers, hout en koper. De voorstelling is, in alle opzichten, een plaatje.