Sluipmoordenaars vol goede raad; Leids museum toont kunst en geschiedenis van indianen

“Indianen mogen nooit zichzelf zijn, altijd wordt ze een beeld opgedrongen van hoe anderen hen het liefst zien,” schrijft Pam Emmerik naar aanleiding van de expositie over indianen in het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden.

Indianenverhalen/Rijksmuseum voor Volkenkunde Leiden

25 sept '98 - 16 mei '99. Di/vrij zon- en feestdagen 10-17u, za 12-17u.

Rondleidingen en verjaardagspartijtjes mogelijk

Edward S. Curtis: The North American Indian. TaschenVerlag, Köln. ƒ 39,90

Ik weet niet hoe het is om een indiaan te zijn. Ik heb wel eens een visioen van roofdieren, als ik door de stad loop. Van mensen in jakhalsgedaante die hongerig op prooi wachten. En soms kun je Moeder Aarde onder de stad zien en ruiken, dankzij de gemeente die voortdurend straten openbreekt. Vroeger natuurlijk wel indiaantje gespeeld, met kampvuren, buren besluipen en zelfgemaakte pijlen van bamboe, met in de punt een bijgevijlde spijker. (Spelen indianenkinderen ook indiaantje?)

Soms wil iemand heel graag een indiaan zijn en gaat het mis. 'Wout H. was ervan overtuigd dat zijn collega het boorplatvorm de lucht in wilde laten vliegen, dus pakte hij een bijl en sloeg vijftien keer in op René B.', lees ik in Het Parool. 'Na zijn daad voelde hij zich een held. Hij had immers met zijn moedige ingrijpen de mensheid van de ondergang gered. Nadat zijn slachtoffer was gestorven, had hij nog een vreugdedansje gemaakt (...), hij had ook geroepen dat hij René ging scalperen'. Volgens de advocaat van Wout H. kwam dat door de grote voorliefde die zijn cliënt voor indianen koesterde.

De fotograaf Edward S. Curtis, geboren in 1869, wilde ook weten hoe het was om een indiaan te zijn. Als jongen vergezelt hij zijn vader, een predikant, als die te paard of met een kano zijn parochianen bezoekt in een gebied waar veel indianen wonen. Eenmaal volwassen vestigt hij zich als fotograaf in Seattle (genoemd naar een indianenopperhoofd, chief Sealth). Daarnaast werkt hij als berggids. Op een keer redt hij een groepje wetenschappers dat verdwaald is. Via hen verwerft hij in 1899 een aanstelling als fotograaf tijdens de Harriman-expeditie naar Alaska. Het zet hem op het spoor dat zijn levenswerk zal gaan vormen: het in een encyclopedie vastleggen van de met uitsterven bedreigde cultuur van de indianen. Alles interesseert hem. Taal, politiek, woon- en leefomgeving, muziek en dans, kleding, kinderspelletjes, gebruiken rond geboorte, huwelijk en sterven, maar vooral religieuze gebruiken en mythen. Ruim dertig jaar trekt Curtis erop uit om het dagelijks leven in de reservaten vast te leggen. Met primitieve apparatuur maakt hij geluidsopnames, verzamelt gegevens over 75 talen en dialecten en neemt meer dan 10.000 liederen op. Hij maakt zo'n 40.000 foto's en verscheidene films. Hij financiert deze kostbare expedities door overal in het land lezingen met lichtbeelden te geven. Mensen konden op de encyclopedie intekenen. Ook laat hij zich sponsoren door een spoorwegmagnaat, die hij flink wat geld weet af te troggelen. Soms werkt hij zestien uur per dag aan het project. De kosten blijven oplopen. Hij heeft zeventien mensen in dienst. Doordat hij nooit thuis is begeeft zijn huwelijk het, zijn gezondheid lijdt schade onder zijn vasthoudendheid. Al zijn geld steekt hij in zijn werk. Zozeer heeft hij door zijn inzet het vertrouwen van de indianen gewonnen, dat hij mag deelnemen aan hun rituelen. Voor de Slangendans van de Hopi, een volk uit het zuidwesten, vast hij enkele dagen om vervolgens beschilderd en gehuld in dierenvel rond te dansen, met een levende ratelslang tussen zijn tanden.

Curtis wordt wel bekritiseerd omdat zijn foto's een te romantisch beeld zouden geven. De behoeftige omstandigheden waarin veel indianen begin deze eeuw leefden tref je bij hem niet aan. Ook zou zijn artisticiteit een wetenschappelijke benadering in de weg staan. Zo retoucheerde hij moderne objecten weg van foto's of voegde hij in scène gezette beelden uit een speelfilm die hij gemaakt had toe aan zijn documentaire werk.

Curtis voltooide zijn onderzoek in 1930. Rond die tijd was de interesse ervoor sterk afgenomen. Hij stierf in 1952. Pas in de jaren '70 zou er meer belangstelling voor zijn werk ontstaan en het besef doordringen welke bijdrage Edward Sherif Curtis, zonder wetenschappelijk geschoold te zijn, had geleverd aan het vastleggen van de tradities van de Assiniboin, Cheyenne, Tano, Oto, Miwok, Hupak, Tewa, Hopi, Apache, Keres, Chipewyan, Cree, Klickitat en al die andere indianenstammen in hun eindeloze, exotisch klinkende opsomming.

Werden indianen een eeuw geleden nog gezien als luie smerige bezopen bedelaars, die zich elk moment konden ontpoppen tot arglistige tegenstanders wier bloeddorst niet te overtreffen viel (deze kwalificaties kwamen van Theodore Roosevelt), tegenwoordig wordt hun niets dan wijsheid, respect voor de natuur, moed en slimheid toegedicht. Van verachtelijke vijand zijn ze sympathieke huisvrind geworden, vol goede raad over ziel, struik en ander gewas. Van sluipmoordenaar tot Moeder-Aarde-minnaar, indianen lijken nooit van zichzelf te mogen zijn, altijd wordt hen een beeld opgedrongen van hoe anderen hen het liefst zouden willen zien.

Zwarte Eland

In het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden is een tentoonstelling over Noord-Amerikaanse indianen te zien. Aan de beeldvorming rond indianen wordt veel aandacht besteed. Zo hangt er een wand vol met plaatjes van indianen, afgebeeld op etiketten, gravures, foto's en schilderijen. Met een gekleurde balk wordt aangegeven of de afbeelding positief, negatief of realistisch is. Positief is oranje, negatief is paars en realistisch blauw. De tentoonstelling is zeer toegankelijk gemaakt voor kinderen. Er staat een echte tipi (wigwam) opgesteld, en er is een spannende sluiproute die de jacht nabootst. Spectaculair is de opgezette bizon die een paard op de horens heeft genomen terwijl zijn indiaanse ruiter door de lucht zweeft. In de filmzaal wordt de geschiedenis op een heldere manier belicht aan de hand van het levensverhaal van Chief Zwarte Eland, een Lakota-indiaan van de Oglalastam die met de rodeoshow van Buffalo Bill naar Europa reisde. Bezwaard door de martelgang van zijn eigen volk heeft hij een scherp oog hoe de blanken leefden.

Ook kunnen kinderen die de tentoonstelling bezoeken een nieuwe, indiaanse naam krijgen. Indianen veranderen soms een paar keer in hun leven van naam. Door iets dat ze gedroomd hebben, een eigenschap die er uitspringt of een gebeurtenis.

Ik besluit dat mijn nieuwe naam Rollend Hert wordt, want ik rolstoel door de tentoonstelling vanwege een ontsteking aan mijn enkels. (Rollen is eigenlijk een bijzondere manier van sluipen). Twee jaar geleden moest ik in een rolstoel op reis. Ik was lang ziek geweest en kon maar een klein stukje lopen. Vanwege mijn vliegangst was ik zo stoned dat ik zelfs een crash nog hilarisch had gevonden. Als mensen me aanstaarden, deed ik alsof ik geestelijk gehandicapt was en liet speeksel uit mijn mondhoeken lopen. Een Rollend Hert laat niet met zich spotten.

Er zijn veel mooie voorwerpen te zien in Leiden. Rijkversierde moccasins en zadeltassen, draagwiegjes, maskers en meer. Niets is zomaar een gebruiksvoorwerp. Altijd heeft de vorm of decoratie een overdrachtelijke betekenis. Zo beelden de geometrische patronen op de rieten manden van de Pima- en de Papago-indianen de stroming van de rivieren in hun gebied uit. Bijzonder fraai is een aantal Kachina-beeldjes van de Hopi- en Zuni-indianen, die ook nu nog vervaardigd worden. Ze dienen als herinnering aan geesten die in principe overal aanwezig zijn, maar door rituelen en ceremoniën tevoorschijn moeten worden geroepen. Waar de oudere beeldjes beschilderd werden met zachte natuurlijke kleuren en versierd met veertjes, is voor veel nieuwe (helaas niet in de tentoonstelling) synthetische verf, wol en leer in felle kleuren gebruikt. Ze lijken eerder op toekomstruimteridders dan op oeroude geesten. Een belofte van veerkracht van de makers.

Het liedje dat op de tentoonstelling zelf klinkt is het spijtige 'voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij'. Het sterkst merk je dat bij het verhaal over de bizons. Voor de indianen van de vlakten tussen de Mississippi Rivier en de Rocky Mountains waren de bizons alles. Vlees, huid, haar, botten, pezen, hoorns, hoeven, uitwerpselen, niets werd ongebruikt gelaten. Het uitmoorden van de bizons door de kolonisten was een doelbewust onderdeel van de politiek om de indianen te verpletteren. In 1889 waren er van de 60 miljoen bizons nog zo'n 500 over. Buffalo Bill, symbool van de blanke pioniersgeest, doodde in een maand eens 4280 bizons. Veel indianen stierven van de honger.

Danslustige Sioux

Wovoka, een Paiute-ziener, kreeg via een visioen de boodschap dat door te dansen de blanken verslagen zouden kunnen worden. De autoriteiten, die de 'Ghostdance' zagen als een voorbode van gewapend verzet, verboden de dans. In 1890 werden bij Wounded Knee een paar honderd danslustige Sioux door het leger bijeengedreven, mannen, vrouwen, kinderen. Het liep uit op een bloedbad. Alle lijken werden in een massagraf gegooid.

Zo stonden de zaken er dus voor: de blanken pikten het land in en de indianen moesten in reservaten gaan wonen. Net als bij de Aboriginals in Australië werd getracht kinderen van hun afkomst te vervreemden door ze van hun ouders af te nemen en in blanke gezinnen of op kostscholen onder te brengen.

In 1973 bezetten een paar honderd Oglala-indianen Wounded Knee. Na 71 dagen worden ze bestormd door het leger. Twee indianen stierven hierbij. In het museum is een korte videofilm te zien, gemaakt door Thom Hofmann en Herman de Boer, over wat de bezetting de indianen in het Pine Ridge-reservaat heeft opgeleverd. Minder verdeeldheid tussen de indianen onderling vooral, verbeterde scholing en gezondheidszorg. Jammer dat het filmpje niet langer is, het onderwerp is interessant genoeg. Er hangen ook knipsels uit indiaanse kranten. Over een rechtszaak in 1996, van de nazaten van Chief Crazy Horse tegen de brouwers van Crazy Horse bier, die het oneerbiedig vonden om hun voorvader op een bierfles te zien prijken. (De nazaten wonnen). Over de zalmsterfte in reservaten door milieuvervuiling. Over een programma om indianen over te halen om te gaan stemmen. De Standing Rock Star uit 1973 brengt een luchtig stuk over twee 'Misses Indian American' uit de jaren '50. De Indian Country Today bericht zorgelijk over het uitsterven van een oud beroep: het maken van kunstnijverheid van stekelvarkenpennen, ook omdat de stekelvarkens steeds schaarser worden. Op een krantenfoto uit 1996 zie ik de kunstenaar Jimmy Durham staan, een halfbloed Cherokee die geadopteerd werd door Lakota-indianen. Hij heeft een beeld gemaakt, 'Heilige bizon', bestaande uit een enorm skelet van 3 bij 2,4 meter waarin hij meer dan 3000 afbeeldingen van indianen heeft gegraveerd. Het beeld reist Amerika rond en wordt onder meer tentoongesteld in gevangenissen en buurthuizen. In 1992 nam hij aan de Documenta deel. In de catalogus vertelde hij over een straathond op de snelweg naar Mexico City, die haar leven waagt om een andere hond te redden die is aangereden. Een heilige hond, noemde hij haar. Saint Dog. Het is niet alléén eten en gegeten worden in deze wereld.

Ook niet-indiaanse kunstenaars hebben zich laten inspireren door indiaanse kunst. Marsden Hartley maakte in 1914 een paar schilderijen waarvoor hij de driehoeksvorm van de indianentipi aanwendt om het doek in vlakken op te delen; de schilderijen bestaan uit een curieuze mix van indiaanse symboliek (uilen, mandala's, schematische weergave van water en mensen) en kubistische elementen, waarmee Hartley had kennisgemaakt op zijn reizen door Europa. Een generatie later was het Jackson Pollock, opgegroeid in het zuidwesten van Amerika, die van jongsafaan geboeid werd door indianen. Zijn broer Jay zou later verklaren dat Jackson zich zelfs verwant voelde aan hen. Pollock liet zich in zijn werk beïnvloeden door eskimokunst (op veel vroege schilderijen zijn maskervormen en totems geschilderd). En de langgerekte hiërogliefachtige mensvormen die vanaf de jaren '40 vaak in het werk van Pollock voorkomen, zijn terug te voeren op decoraties die de indianenstammen uit het zuidwesten, de Zuni-, Hopi- en Navajo-indianen gebruikten. Pollock verdiepte zich in het gedachtengoed van deze indianen en was ook een kenner van hun poëzie.

Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij... Wie door de tentoonstelling rolt kan zich niet aan die treurige boodschap onttrekken. Wat rest zijn de voorwerpen, die getuigen van de intense band die de indianen met hun leefomgeving hadden, verhalen, foto's. Het moeizame gevecht, nog steeds, van indianen in veel reservaten (die in een gokpaleis veranderd zijn uitgezonderd) om aan armoede en alcoholisme te ontsnappen en iets van hun cultuur levend te houden.

Ik weet niet echt hoe het is om een indiaan te zijn, of een Crazy Horse op een boorplatform, een uitgeprocedeerde asielzoekster (Dood Sloop) of een rijkswachter (Wrede Vuist) die mensen die zich helemaal met hun eigen poep ingesmeerd hebben het land uit moet zetten. 'Wie de metafysica van het persoonlijk drama kan bevatten, heeft een betere kans om het drama der geschiedenis te doorstaan', schreef Jospeh Brodsky (Nobele Prijs). Maar lijden stoot af als het naar poep stinkt. Je in een ander verplaatsen is moeilijk. Het betekent de gedachte accepteren dat het jou net zo slecht zou kunnen vergaan en dat is een pijnlijk besef. En toch is dat het beste verweer tegen de mix van schaamteloze hebzucht, schaamteloos machtsmisbruik, bodemloze gemeenheid en maar heel weinig vreugdedansjes, waaruit de geschiedenis bestaat. Uggh...! Rollend Hert heeft vurig gesproken.