Schrijven in het gesticht; Zwitserse literatuur op de Buchmesse

Wat is Heimat? Wat betekent het om Zwitser te zijn? En wat stelt de Zwitserse letterkunde voor? Zwitserland bestaat honderdvijftig jaar en is op de Frankfurter Buchmesse, die volgende week begint, tot themaland uitverkoren. Lastige schrijvers hebben er veel aan gedaan om de idylle van het vredige Alpenland onderuit te halen.

Een populaire opinie luidt: Zwitserland is een keurig land en Zwitserse schrijvers zijn nuttige leden van de maatschappij, lieden op wie je kunt bouwen. Lieden die soeverein en evenwichtig hun oordeel vellen over God, mens en schepping en die altijd maat weten te houden, zowel in hun werk als in hun leven. Had Gottfried Keller geen ontzagwekkende baan als staatsklerk? Maakte Jeremias Gotthelf zich niet onmisbaar als dominee, schoolinspecteur en oprichter van een opvoedingsgesticht? Bezat Conrad Ferdinand Meyer niet de discipline om een aardig privé-vermogen te beheren en te behouden?

Maar men vergeet het een en ander. Dat Keller aan de drank was bijvoorbeeld en Gotthelf een der meest gehate mannen van zijn tijd. En Meyer verbleef zo nu en dan in een gesticht. De vaders van de Duitstalige Zwitserse literatuur stonden toch niet zo stevig in hun bergschoenen als de legende wil. Hun nakomelingen ontwikkelden zich wel tot enthousiaste wandelaars, maar sommigen van hen lopen ongezellig en eenzaam over sneeuw en ijs. De ongezelligheid, het gevaar, de constante bedreiging is hun terrein. Het lukt hun meestal niet hun evenwicht te bewaren: ze struikelen, vallen, proberen het opnieuw. Als ze de kracht daartoe hebben. De Zwitserse schrijver Robert Walser viel om zonder daarna nog op te staan. Hij viel om in de sneeuw, zijn hoed bleef naast hem liggen. Robert Walser was een Einzelgänger tegen wil en dank. Binnen zijn teksten zocht hij gezelschap, van jongedames het liefst, maar daarbuiten hield hij de mensen op afstand. Ofwel: zij hielden hém op een afstand. Walser zat in een inrichting dus was hij gek en gekken bliefde men niet.

Het buitenstaanderschap heeft Robert Walser gemeen met de andere schrijvers die ik hier wil voorstellen, samen met de personages die zij in de wereld hebben gezet. Walsers personages lijken op hun auteur en toch weer niet. Ze verstoppen zich achter een lachje dat geraffineerd en kinderlijk is en overrompelend charmant. Omdat het literaire alter ego van Robert Walser zichzelf steeds in een staat van verrukking brengt ziet zijn Zwitserland er paradijselijk uit. Appels glanzen, meisjes blozen, honden kwispelen en huizen groeten: alles is betoverd. En daar zit hem het gevaar, want de tovenaar is niet de Lieve God maar Robert Walser zelf. O wee als de muze hem in de steek laat: dan is hij reddeloos verloren.

Robert Walser, van 1929 tot aan zijn dood in 1956 psychiatrisch patiënt, kende de helse pijnen van het niet-kunnen-scheppen. Zijn langdurige schrijf- en bestaanscrisis, zijn angst om in de openbaarheid te falen kon hij maar op één manier de baas: door te vluchten in een kriebelig privé-schrift, een geheimschrift haast, dat zijn voogd Carl Seelig later met de grootste moeite heeft ontcijferd. Microgrammen, zo heten die inmiddels in mooie naslagwerken gereproduceerde krabbels, en zo heten zij niet alleen vanwege de minuscule letters maar ook vanwege de geringe onderwerpen. Bij Robert Walser geen bergtoppen maar verheffingen ter hoogte van een polletje gras. Bij hem geen opgeblazen ego's maar mannetjes die liever de bediende spelen, van een aristocratische dame bijvoorbeeld.

Er is iets raars aan de hand met die kleinheid. Het polletje gras wordt bekroond met een kwinkelerende vogel, zoals de aristocratische dame subtiel op de dichternatuur van haar dienaar gewezen wordt. Hoe minder erkenning de dichter Robert Walser in de wereld vond, hoe meer hij die zocht in zijn werk. Tegelijkertijd maakte hij dat werk zo onzichtbaar mogelijk. Alsof een deel van zijn persoonlijkheid juist vurig hoopte dat men hem over het hoofd zag.

Afgronden

Walsers tijdgenoot Friedrich Glauser werd niet over het hoofd gezien. Zijn misdaadromans deden het goed in de late jaren dertig. En toch was Glauser een outcast. Zeker in de wereld der literaten, die intens neerkeken op het door hem beoefende genre. Wachtmeister Studer mocht dan wel een populaire figuur zijn, zoiets als de Zwitserse Maigret, in de letterkunde hoorde hij niet thuis. Vonden de literaten. Friedrich Dürrenmatt was de eerste van dat gilde die Friedrich Glauser openlijk bewonderde - omdat hij de afgronden in Glausers boeken zag. Hij zag ook hoe moedig het van Glauser was om Wachtmeister Studer naar plaatsen te sturen die gewone mensen, zelfs van de politie, doorgaans hardnekkig mijden. Een armenhuis, een internaat voor moeilijk opvoedbare jongens, een zenuwinrichting: aan zulke mistroostige decors had nog geen misdaadromancier zich gewaagd.

Glauser gebruikt het gesticht als decor in Matto regiert en noteert in zijn voorwoord: 'Ik zie het al protesten regenen. Daarom wil ik eens en voor altijd stellen: er zijn in kanton Bern drie gestichten - Waldau, Münsingen en Bellelay. Mijn gesticht Randlingen is noch Münsingen, noch Waldau, noch Bellelay. [-] Een verhaal moet zich ergens afspelen. Het mijne speelt zich af in het kanton Bern, in een gekkenhuis. Wat verder?... Men mag toch nog wel verhalen vertellen?' Zo verdedigt hij zijn keuze, die geen keuze is omdat de auteur het verhaal over Randlingen gewoon vertellen móest. Glauser had zelf in gekkenhuizen gezeten, in Münsingen, in Waldau, in Bellelay. In arrestatiecellen had hij ook vertoefd, vanwege zijn opiumverslaving en het vervalsen van recepten. Ja, en verder had hij twaalf ambachten en dertien ongelukken gehad, hij was bij het vreemdenlegioen geweest en als hij het ergens niet meer uithield sloeg hij op de vlucht. Van huis liep hij weg op zijn dertiende. Zijn vader had hem gedwongen toe te geven dat hij een stuk vlees had gestolen, Friedrich bekende schuld en maakte zich zo tot leugenaar.

Friedrich: een angstig kind, geminacht door de vader, bemind door de moeder, die stierf toen het zoontje vier was. Een vaderlijk huis waarin elk meubelstuk discipline en welstand en voorwaartsstreven uitstraalde. De zoon, na zijn dood een cultfiguur van de anti-burgerlijke jeugd, had zijn carrière als rebel niet gepland. Hij probeerde steeds weer te aarden in een eerbaar beroep, hij schaamde zich voor de financiële afhankelijkheid van zijn vader en smeekte zijn leven lang bij die man om begrip. De drugsgebruiker Friedrich Glauser werd ook geen pleitbezorger van het goedje dat het paradijs op aarde beloofde: 'In wezen is niets oninteressanter dan het leven van een morfinist. Het beperkt zich tot perioden waarin hij het gif neemt en tot perioden waarin de maatschappij hem dwingt het spul te laten staan. Alle redenen die je verzint om je verslaving te rechtvaardigen kunnen literair en poëtisch mooi klinken; concreet is het smeerlapperij, want je ruïneert je leven ermee.'

Evenmin werd Glauser een voorloper van schrijvers die genotvol opgaan in hun eigen leed. Voor dergelijke navelstaarderij was zijn wanhoop domweg te groot. Dan verzon hij liever spannende verhalen. Verhalen over kindermoordenaars en vadermoordenaars, gelardeerd met wijze levenslessen: 'Wijs mij één mens aan die nooit van zijn leven, zij het als kind, zij het als volwassene, tenminste in gedachen een moord heeft gepleegd, die in zijn dromen nog nooit iemand gedood heeft... Waarom, denkt u, is het anders zo ongelooflijk makkelijk om mensen de oorlog in te jagen?'

Slavendom

Misschien zijn de Zwitserse vaders zo vaak schietschijf in de literatuur omdat het Zwitserse patriarchaat zo koppig standhoudt. Talrijk zijn de aanklachten van Zwitserse auteurs tegen hun autoritaire staat, met voor de mannen eeuwigdurende dienstplicht en voor de vrouwen het programma Kirche, Küche, Kinder. Een staat die ongekende vrijheid predikt en door sommige onderdanen niettemin als een gevangenis wordt ervaren. Friedrich Glauser kende de Zwitserse gevangenissen van binnen; Otto F. Walter en Beat Sterchi confronteren de theorie van het liberalisme met de praktijk van de werkvloer: het slavendom zou daar nog welig tieren. Of ze verplaatsen zich in de positie van vreemdelingen, van seizoenarbeiders en vluchtelingen en holocaustslachtoffers, die in Zwitserland nauwelijks veiliger zouden zijn dan in het oord waaraan zij ontkwamen. Dat is het thema van Erica Pedretti, zelf eens een vluchteling, van Binjamin Wilkomirski, vermoedelijk een concentratiekampkind, en ook van Beat Sterchi.

Sterchi, geboren in 1949 in Bern, schrijft tegen de ontluistering. Van dieren en van mensen, van dorpen, landschap en ziel. De titelfiguur van zijn nu vijftien jaar oude roman Blösch is een Simmentaler koe, roodbont en glanzend, trots en weerbarstig en met een fabelachtige melkproduktie. Ambrosio, vers uit Spanje, valt meteen voor haar. Liefdevol masseert de nieuwe knecht van boer Knuchel haar uiers. Dan: een breuk, een sprong in de tijd, een nieuw hoofdstuk. Ambrosio werkt in een abattoir en middenin de slachtveemeute ziet hij Blösch: 'De beenderen staken uit, haar huid was slap, haar uier misvormd [-]. Meters in de omtrek stonk ze naar desinfecterende alcohol, urine en vaseline.'

Blösch gaat ten onder en Ambrosio volgt willoos haar voorbeeld. De ellende begon eigenlijk al in Knuchels stal. Onder druk van zijn omgeving verving de boer melkershanden door machines en Ambrosio, door de Innerwalders toch al tot op het bot gepest, moest opdonderen. De kille produktiemethoden van tegenwoordig beroven al wat leeft van zijn waardigheid, concludeert Sterchi in zijn hamerende, flamboyante stijl, die eerder aan de Duitse expressionist Alfred Döblin doet denken dan aan een literaire grootouder uit Helvetia. Barok gebries hoor je in Zwitserland niet zo vaak. Het zal wel met het calvi- en zwinglinisme te maken hebben dat men daar de voorkeur geeft aan een stiller, ingetogener geluid.

Stil en ingetogen, maar niet bedaard of berustend, is de toon van Otto F. Walter in zijn roman Der Stumme. Natuurlijk, een stomme kan niet spreken, dus dialogen zijn overbodig. Belangrijker is wat de stomme denkt, maar ook dat wordt niet helemaal blootgelegd. Een zweem van geheimzinnigheid ligt over dit toch heel precies geschreven boek, en wie de moord gepleegd heeft (wás het wel een moord?) blijft tot het eind toe onzeker. De hoofdpersoon heeft slechte kaarten: zijn zwijgen lijkt achterbaks en zijn collega's mogen hem niet. Het land uit scheuren op een zware motorfiets, dat is de droom van De Stomme. Om zijn vrijheidsideaal te realiseren moet hij wel eerst werken. Zeventien is hij als hij in de bossen bij het fictieve dorp Jammers komt helpen met de aanleg van een weg. Volkomen van zichzelf vervreemde collega's treft hij daar aan, boosaardige monsters die het heerlijk vinden om zwakkeren, nog zwakkeren dan zijzelf, te pakken en te berechten. Dat laatste doen zij dan ook: niet in een marmerstralend Paleis van Justitie maar in een smerige barak, en dankzij de naargeestige omgeving valt hun oordeel genadeloos uit.

Schande

Der Stumme is het portret van een verloren generatie, vergeefs op zoek naar vaders, vrijheid en vriendschap. Geen wonder dat Zwitserse jongeren het boek bij zijn verschijnen in 1959 stormachtig begroetten terwijl hun ouders er schande over spraken. Op agressie uit de volwassenenhoek stuittte ook een werkje met de onrustbarende titel Veränderung. Wie moest er veranderen? De lezer soms? Bekijk het! Toch staat Erica Pedretti's prozatekst uit het jaar 1979 mijlenver af van het pamflettistische genre. Daarvoor is alleen al de structuur te vernuftig. Twee vertelsters praten door en langs elkaar heen: de een heeft dezelfde geschiedenis als de schrijfster en de ander zou haar tegenvoeter kunnen zijn. De Erica Pedretti-achtige vrouw zit vol zelftwijfel terwijl Frau Gerster komt aanzetten met overtuigingen van schokvast beton.

Pech heb je uitsluitend aan jezelf te danken, meent deze robuuste dame, die zelf nooit fouten maakt. Voor Frau Gerster bestaat de wereld uit zieken en gezonden en ziek is iedereen wiens optimisme niet naar behoren werkt. Frau Gerster verstaat de kunst van het overleven en de minder lebenstüchtige Erica P. neemt steeds meer gezegden, gedachten, verhalen van haar over. Zoveel dat ze zichzelf dreigt te verliezen. Wie is zij ook alweer? Een Moravisch-Duits-joods-Oostenrijkse Zwitserse, zo ongeveer. Een ontheemde die na de Anschluss Tsjechoslowakije uit werd geschopt en op transport naar Zwitserland ging. Erica was toen nog maar een kind en haar ouders had ze niet bij zich. Angst, onzekerheid en een gebroken vertrouwen in de mensheid hield ze aan de ervaring over: het bittere weten dat 'een vluchteling niet meer over zichzelf kan beschikken'. Ook Zwitserland stuurde haar weg; pas na een uitputtende odyssee kwam ze er terug.

Eenmaal binnen zwerft ze van hot naar her, van de Raetoromanen naar de Franstaligen en van de Franse naar de Bärndüütsche gebieden; geen enkele taal spreekt ze goed; en als Veränderung begint is ze neergestreken in de binnenstad van een plaatsje aan de Frans-Duitse taalgrens. Vanuit haar schrijfkamerraam ziet ze mensen met net zo'n lot als het hare: opgejaagde, geïsoleerde, de vereiste talen niet sprekende gastarbeiders die in het land van melk en honing geen bestaan kunnen opbouwen omdat ze niet weten hoe lang ze mogen blijven.

Auschwitz

Een verwarde en verwarrende identiteit heeft ook Binjamin Wilkomirski. Over zijn identiteit is zelfs een strijd losgebarsten sinds een collega-schrijver Binjamin Wilkomirski er in Die Weltwoche van beschuldigde zijn biografie te hebben verzonnen. 'Binjamin Wilkomirski', schreef Daniel Ganzfried op 27 augustus, 'is een pseudoniem waarvan de drager nooit in concentratiekampen heeft gezeten.' Wilkomirski's boek Bruchstücke, volgens Wilkomirski zelf een verzameling herinneringen aan zijn kindertijd in Majdanek en Auschwitz, is in de woorden van Ganzfried 'waarschijnlijk de verinnerlijke plaatjescollectie van een man met een doorgedraaide fantasie.' Ganzfrieds maligne conclusie: 'Dat Auschwitz nu als inspiratiebron fungeert voor lieden die in hun welstandsbiografie te weinig interessante vertelstof vinden [-]: daaraan moet krachtig weerstand worden geboden.'

Kinnesinne van joden onder elkaar? Valsige jalousie du métier - Bruchstücke, uit 1995, is immers een bestseller, te koop in veertien verschillende talen - of oprechte verontwaardiging? Ganzfried onderbouwt zijn betoog met documenten, onder andere uit gemeentearchieven, waaruit blijkt dat Binjamin Wilkomirski eigenlijk Bruno Grosjean heet en in 1941 in Biel werd geboren. Bruchstücke begint in 1939, in Riga. Wilkomirski, want zo noemen we de Bazelse musicus en instrumentbouwer voorlopig maar, neemt niets van wat hij schreef terug en de door Ganzfried geopenbaarde feiten wil hij niet weerleggen. Zijn boek, lichtte hij reeds drie jaar geleden in het nawoord toe, gáát juist over de kloof tussen herinnerde en officiële identiteit. Kinderen die de kampen hadden overleefd, schrijft hij, kregen valse papieren: 'hun sporen werden zorgvuldig uitgewist.' Terwijl je zonder te weten waar je vandaan komt ook niet weet waar je naartoe moet.

Zijn stervende moeder in Majdanek, zijn barak-vriend Jankl die het eten met hem deelde, de baby's die hun bevroren vingers opaten: Wilkomirski noteert die kamp-indrukken net zo nauwkeurig als de angsten van het kind bij zijn aankomst in Zwitserland. In de skilift ziet hij een doodsmachine, in de verwarmingsinstallatie van zijn pleegouders een verbrandingsoven en overal lachen Zwitserse kinders hem uit. Binjamin wil terug naar zijn barak, want, zegt Wilkomirski: 'Heimat is de plek van je eerste herinneringen.'

Friedrich Glausers detectives zijn als pockets uitgegeven door Diogenes in Zürich; 'Gesprongen glas', een door Dineke Bijlsma vertaalde en verzorgde anthologie van zijn verhalen, verscheen in 1996 bij uitgeverij IJzer in Utrecht. 'Veränderung' van Erica Pedretti is een uitgave van Suhrkamp in Frankfurt/M. Beat Sterchi's 'Blösch' kwam oorspronkelijk uit bij Diogenes en werd door W. Hansen vertaald voor De Arbeiderspers. Suhrkamp publiceerde in 1985 Robert Walsers 'Mikrogramme' ('Aus dem Bleistiftgebiet', twee delen); vertaald werk van Walser, zoals de roman 'De bediende', verscheen bij De Arbeiderspers. Otto F. Walters 'Der Stumme' is een (her-)uitgave van Rowohlt in Reinbek bij Hamburg. 'Bruchstücke. Aus einer Kindheit 1939-1948' van Binjamin Wilkomirski werd uitgebracht door het Jüdisches Verlag van Suhrkamp en, in een vertaling van Ingeborg Lesener, bij Bert Bakker in Amsterdam