Open huis

“Meestal vertoont mijn leven evenveel samenhang als een berg afwas in de keuken van een groot restaurant na sluitingstijd. Maar nu lag het anders.” Plotseling valt, op een nazomerdag, het licht van een toverlantaarn over de stad.

Toen ik 's ochtends de gordijnen had opengeschoven stonden overal op de daken van de stad oude mannen met hun ondergoed te zwaaien, zo grauw was de lucht. En omdat mijn werk zich die dag volledig in raamloze ruimtes had afgespeeld, was ik niet voorbereid op het wonder dat zich, toen ik om een uur of vijf weer op straat stond, buiten in al zijn glorie bleek te hebben voltrokken.

Zeker, het was voorspeld geweest, 'in de loop van de middag klaart het aanzienlijk op', maar die beschrijving was net zo toepasselijk als zeggen dat er op de schilderijen van Van Gogh af en toe een 'lekker zonnetje' schijnt. Terwijl je daar toch zonder donkere bril en een laag zonnebrandcrème met beschermingsfactor 20 beter niet voor kunt gaan staan. En zelfs dan laat de directie van het museum zich niet aansprakelijk stellen voor de gevolgen.

Overigens was het niet de midzomer-zon van Van Gogh die zich nu meester had gemaakt van de hemel: niks supernova in houten lijst, niks loeiend en kolkend lava-oog. Gelukkig niet. Want het zonlicht van juli en vooral augustus was mij altijd al te fel geweest, te wreed, te genadeloos wit en nucleair in de manier waarop het alle dingen, dieren, bomen en mensen tot silhouetten knipte. En bovendien was iedereen die je belde, of zocht op straat, op het landje, of later in het café, in die trage tijd ook nog eens spoorloos met vakantie ook. Was ik zelf, al dan niet met mijn ouders, in het buitenland, dan legde ik regelmatig even mijn hand op het asfalt van de dichtstbijzijnde grote weg - als was het een rivier waarvan ik wist dat die via via uiteindelijk ook weer langs onze voordeur liep.

Van dat witte licht, die witte hitte, gloeide er nu, op deze nazomerse namiddag, alleen nog vaag iets na in de diepte van de kleuren die alle dingen hadden teruggekregen - van een zon die zelf liever een low profile hield. Indirect, gespiegeld in de ruiten van een auto, knipogend tussen bladeren door, als vonkenregen op het water of als goudstof dansend in een hoek van de kamer - mooier, milder, eleganter licht is er niet denkbaar, dacht ik, fietsend op weg naar het plein, waar ik vermoedde dat dit evenement zijn hoogtepunt zou beleven. En ik werd niet teleurgesteld. Niemand volgens mij. Nooit meer.

Om te beginnen was er het geluid, en dan bedoel ik het geluid van het geluid. In de hoek van het plein schuin tegenover het terras waar ik was gaan zitten was een jongen aan het muur-tennissen, en elke keer dat de bal muur of racket raakte leek het alsof de echo alle geluiden van verder weg instant vacuüm zoog. Boven alles uit klonk er dan een volstrekt heldere 'plok', als de 'smak' van een zoen in een volle kamer waar iedereen net op hetzelfde moment even zijn mond houdt.

Het kan niet anders of het was precies dat geluid waardoor ik opeens - van 'plok' kwam ik via 'smak' op 'tik!' - moest denken aan een scène uit het verhaal Seymour: an introduction van J.D. Salinger. Daarin laat hij zijn alter ego Buddy Glass vertellen hoe hij als jongen in New York een keer, op precies zo'n magisch moment laat op een nazomerdag, met een vriendje op straat aan het knikkeren was ('tik!'), toen opeens zijn tienjarige broer Seymour op de stoep verscheen. Seymour, die binnen de door Salinger gecreërde wereld van de familie Glass een moderne kruising is tussen Zen-patriarch Hui Neng en Kierkegaard, kijkt even toe en wijst dan zijn broertje erop dat hij niet zo vreselijk zijn best zou moeten doen om te mikken.

Hoezo 'niet mikken'?

Omdat het, wanneer hij wél mikte, stom geluk zou zijn als hij die andere knikker raakte. Hij zou immers enorm blij zijn als dat gebeurde, en dat betekende dat hij niet echt verwacht had dat het hem zou lukken. Dat hij er in zijn hart van overtuigd was dat het toeval een doorslaggevende rol speelde, geluk.

Het komt erop neer dat het horen van de 'tik' louter de bevestiging moet zijn van iets dat je al wist voor je jouw knikker los liet, een echo van die andere, eerdere, 'tik' in het hoofd, in het hart, die je vertelt dat je niet meer missen kan. Althans, dat maak ik ervan.

Een variatie op Zen en de kunst van het boogschieten, die in de gouden glans die er nu boven het plein hing, bijna triviaal aandeed, zo zuiver en leeg was de geest geworden van het volgen van al die 'ploks'. Maar het mooist, het meest van toepassing op de sfeer op het plein, blijft het beeld dat Salinger/Buddy Glass oproept van hoe Seymour - een jongetje van tien, nogmaals, in een driekwart jas die tot op zijn enkels valt - vervolgens door de snel invallende schemering op hen toekomt: zonder te bewegen, in ieder geval zonder dat zij hem zien bewegen, als een groot zeilschip dat er opeens is.

Dat samenvallen van zijn en bewegen, waarmee ik niet zozeer 'in-beweging-zijn' als wel 'zijn-in-beweging' bedoel, was precies wat er hier en nu, in het direct van Vermeer gestolen licht van de ondergaande nazomerzon, ervaarbaar werd als the only way to be. Ik weet zeker dat ik namens allen spreek, wanneer ik zeg dat iedereen die zich toen op dat plein bevond - muur-tennissend, flanerend, toevallig voorbij fietsend - even tevreden fluitend op zijn rug ronddobberde in een rivier die twee kanten tegelijk uitstroomde.

Het komt niet vaak voor. Meestal vertoont mijn leven evenveel samenhang als een berg afwas in de keuken van een groot restaurant na sluitingstijd. Maar nu lag het anders. Dankzij het toverlantaarnlicht van dat moment - licht waar op een of andere manier ook het geluid en zelfs de luchtdruk deel van uitmaakten - had ik opeens een glashelder uitzicht op al die momenten in mijn leven dat het licht precies zo was geweest èn, was de belofte, misschien later ooit weer zo zou zijn.

Ik zag mijzelf als klein jongetje in een tuin zitten, opkijkend bij het geluid van snel door de lengte van het huis naderende voetstappen. Ik zag mijzelf, iets ouder, een aanloop nemen op de duikplank in het zwembad. Op een brug staan, starend naar een zolderraam. Hardlopend en schaduwboksend op een bospad. Met twee, drie treden tegelijk een marmeren trap oplopend, uitbundig begroet. Languit op een groot parkeerterrein, het asfalt nog klam van de regen. Allemaal momenten op grond waarvan ik, daartoe uitgedaagd, de inzet op het welslagen van mijn leven aanzienlijk zou hebben durven verhogen. Momenten dat je leven, direct bij het eerste contact, lachend bijna, aanslaat en de hele dag loopt als een zonnetje.

Kortom, ik was er bij, die nazomermiddag, toen God even open huis hield. Met mijn hele hebben en houden, present! Yessir! Zelfs mijn verliezen - en als ik ergens altijd blind op heb kunnen varen, dan toch wel mijn kostbare gevoel van verlies - waren van heinde en verre naar hier gekomen om, elkaar verdringend op de zitting van die ene vrije stoel aan mijn tafeltje, mijn reünie te vieren. Nooit geweten dat spoken onder elkaar zo uitgelaten kunnen zijn. Ze hadden het zelfs niet in de gaten dat ik opstond, betaalde en wegliep.

Vlak voordat ik op mijn fiets stapte keek ik nog één keer omhoog om te zien of de oude mannen op het dak misschien alweer een comeback aan het plannen waren. Precies op dat moment veranderde hoog in de lucht een zwerm vogels plotseling van koers, waardoor hun witte onderkant heel even vlam vatte in het laatste licht van de zon. Het was alsof iemand een enorme hand goudkleurige confetti naar de hemel had gegooid.