Nieuwe filosofische studies; De lange arm van het postmodernisme

Fredrick Jameson: The Cultural Turn. Selected Writings on the Postmodern, 1983-1998. Verso, 206 blz. ƒ 47,85 Hans Bertens en Douwe Fokkema (red.): International Postmodernism. Theory and literary practice. John Benjamin, 581 blz. ƒ 275,- (geb.), ƒ 96,- (pbk)

Wie is er nog postmodern? Niemand, volgens het legioen commentatoren en columnisten dat het postmodernisme inmiddels ten grave heeft gedragen als een schadelijk maar gelukkig voorbijgaand modeverschijnsel. Iedereen, volgens de marxistische socioloog Fredrick Jameson. Het postmodernisme is nu eenmaal de culturele fase waarin we ons bevinden, of we willen of niet.

Jameson signaleert weliswaar ook de terugkeer van allerlei oude vormen en preoccupaties waarmee het postmodernisme meende te hebben afgerekend. Er is sprake van een religieuze revival, met esthetische boventonen, politieke filosofen buigen zich weer over Hume, Locke en de 'civil society', ethici herontdekken de deugden-ethiek van Aristoteles 'alsof Nietzsche, Marx en Freud nooit hebben bestaan', en zelfs Thomas van Aquino wordt weer van stal gehaald. Het postmodernisme heeft dus het omgekeerde bereikt van wat het ambieerde: in plaats van geruimd, worden de Dode Blanke Mannen juist opgegraven.

Maar die herleving past volgens Jameson in de ongebreidelde consumptie-cultuur die hij beschouwt als kenmerkend voor het postmodernisme. Ook Hume, Locke, Rousseau en andere grote geesten van de moderniteit worden nu verknipt, verpakt en verhandeld. De populariteit van hun klassieke teksten is dus geen teken van intellectuele vitaliteit, aldus Jameson, maar een pastiche, dat wil zeggen een humorloze karikatuur, zoals hij op godsdienstig gebied het werk van neo-traditionalisten als Antoine Bodar een pastiche zou noemen van de oude religiositeit. Er is met andere woorden voor vijanden van het postmodernisme volgens Jameson geen enkele reden opgelucht adem te halen: de terugkeer van hun helden is zelf een postmodern verschijnsel.

Verknipt

Het is een redenering die het retorische karakter van Jamesons werk in één klap duidelijk maakt. Hij maakte in 1991 wereldwijd naam met de massieve studie Postmodernity or the Cultural Logic of Late Capitalism. Daarin schetst hij een afschrikwekkend beeld van een tot op het bot vercommercialiseerde wereld, waarin het kapitalisme de laatste enclaves van oudere culturen penetreert en koloniseert. Postmodernisme is de productiewijze van deze 'derde fase' van het kapitalisme. Alles wordt ingeschakeld in een steeds hektischer keten van commercie en consumptie. Postmoderne burgers leven onder een 'bombardement van indrukken, terwijl wat voorheen hun privéleven was, wordt onderzocht, gemeten en genummerd in databanken', aldus Jameson in een van de essays die zijn opgenomen in de nieuwe bundel The Cultural Turn. Een van de paradoxen van die situatie is dat de veranderingen steeds sneller lijken te gaan, terwijl tegelijkertijd een ongekende standaardisering optreedt: alles wordt overal steeds meer hetzelfde, een globale Coca Cola-cultuur.

Op Jamesons totaalvisie is veel kritiek gekomen. Orthodoxe marxisten beschuldigden hem ervan een geflipte postmarxist te zijn, schrijft hijzelf in The Cultural Turn. Postmodernisten verweten hem juist een vulgair-marxistische aanval op hun gedachtegoed. Volgens hen is het postmodernisme immers, als cultuurfase, juist gevarieerd en gefragmenteerd, en leent het zich niet voor een reductionistische totaal-analyse.

Neo-liberaal

In een van de essays in The Cultural Turn verdedigt Jameson zich tegen deze kritiek, vooral tegen wat hij noemt de war on totality, de neoliberale aanval op alles wat riekt naar een omvattende analyse van het kapitalisme. In elke analyse met 'totale' pretenties zou de kiem schuilen van totalitarisme, en in elke utopie de contouren van het concentratiekamp. Het woord 'totaal' is zodoende een taboe geworden, meent Jameson, en wel om politieke redenen. Het is het sluitstuk op de anti-utopische restauratie in het Westen die zich ten doel heeft gesteld af te rekenen met de jaren zestig. Maar juist daarom is een totaalbenadering, een 'radicale interventie' gewenst, meent Jameson: ze geeft zicht op een geheel dat om ideologische redenen verborgen wordt gehouden. Zoals ook het begrip 'kapitalisme' in zijn omvattende betekenis aanvankelijk werd gewantrouwd en ontkend, aldus Jameson.

Voor zijn intellectuele critici uit postmoderne hoek ('postmodern' nu opgevat als filosofisch-artistieke stroming en niet als culturele fase) heeft hij weinig woorden nodig: zij verwarren twee niveaus van abstractie, vindt hij. Het postmodernisme mag gekenmerkt worden door fragmentatie en verbrokkeling - een toestand die de liefhebbers ervan aanzien voor vrijheid - maar ook een systeem dat 'differenties' produceert is een systeem. En wat het bevrijdende karakter van al die onverenigbare variatie betreft: hoe blij zal een loonslaaf in Azië ermee zijn dat sociale rechtvaardigheid en emancipatie naar goed postmodern gebruik 'onbeslisbare' kwesties zijn geworden?

De essays in The Cultural Turn geven een goed beeld van Jamesons ideeën, al vormen ze geen hecht geheel - Jameson springt van architectuur naar grondpolitiek en Finanzkapital - en verschillen ze onderling nogal in leesbaarheid. Jameson schrijft opgewonden en tegelijk abstract proza, dat sterk doet denken aan zijn Franse voorbeelden, Jean Baudrillard voorop. Zijn schatplichtigheid aan Baudrillard blijkt ook uit het gemak waarmee hij grote woorden gebruikt, zijn associatieve manier van redeneren en zijn hameren op de dominantie van 'het beeld' en het vervluchtigen van 'de werkelijkheid'.

Maar zo evocatief als die manier van schrijven is, zo onbevredigend blijft zijn analyse. Jamesons mag op zijn beurt alle kritiek opvatten als óók weer een uiting van postmodernisme, in zijn betekenis van het woord, maar erg overtuigend is dat niet. Het liberale en communautaire gedachtengoed dat de laatste jaren weer sterk in de belangstelling staat, en waarin het gemeenschapsgevoel centraal staat, wordt juist in stelling gebracht tegen de verwoestende effecten van kapitalisme en globalisering.

Maar voor Jameson hoort het natuurlijk bij de interne contradicties van het 'systeem' dat het zichzelf per pastiche bestrijdt, terwijl alleen het marxisme een ècht tegengeluid laat horen, dat niet in pastichevorm terugkeert. Dat is een positie, maar wel een waarover je snel bent uitgepraat, temeer omdat Jameson veel meer een essayist is dan een wetenschapper die zijn stellingen empirisch onderbouwt.

Net als in zijn eerdere werk beweegt Jameson zich in deze essays op het grensvlak van sociologie, belletrie en agitprop: hij is gefascineerd door de postmoderniteit, èn verwerpt die, als een noodzakelijke fase waar de mensheid doorheen moet. Maar veel hoop op een nieuwe wereld heeft hij niet te bieden, juist door de alomvattendheid van zijn interpretatie. Als immers alles opgeslokt wordt in de maalstroom van het kapitalisme, waar is dan nog een opening te vinden voor verandering, laat staan wetmatige revolutie? Jameson voorziet een mondiaal proletariaat en hoopt op een nieuw klassenbewustzijn. Maar voor concrete politieke actie is in zijn nachtmerrie-achtige wereld even weinig plaats als in het door hem bekritiseerde machtsdenken van Foucault. Hij kan hooguit hopen dat het systeem aan zijn interne contradicties bezwijkt, al weet ook hij niet wat ons daarna te wachten staat.

Jamesons werk kan misschien het beste worden gelezen als een anti-utopie, een zwartgallige versie van Baudrillards l'Amérique sidérale, dat ons de ogen kan openen voor een aspect van de werkelijkheid, juist door het buiten alle proporties op te blazen. Jameson doet, zoals Richard Rorty heeft opgemerkt, denken aan de futuristen in de jaren twintig, die met een vergelijkbare mengeling van afkeer en fascinatie de moderne wereld beschreven.

Handboek

Het probleem van totaliteit en verbrokkeling keert terug in de mammoet-bundel International Postmodernity van Hans Bertens en Douwe Fokkema. In ruim vijftig artikelen van in totaal bijna zeshonderd pagina's geven wetenschappers uit vele landen een overzicht van het postmodernisme als cultureel verschijnsel, de verwerking ervan in literatuur en andere kunsten en de uiteenlopende nationale receptie van het postmodernisme, van India tot Nederland. Aan het jaren durende project hebben tientallen wetenschappers een bijdrage geleverd. Het boek is vooral nuttig als handboek voor vakwetenschappers, maar bewijst door de bondigheid van de bijdragen ook de geÏnteresseerde leek goede diensten.

Hans Bertens, hoogleraar literatuurwetenschappen in Utrecht, maakt in het eerste van acht inleidende essays de balans op van het postmodernismedebat. Ondanks vroegtijdige grafredes leeft het postmodernisme nog als academische en artistieke stroming, constateert hij - evenals Jameson, maar op andere gronden - ook al is het sinds de jaren zestig aanzienlijk van gedaante veranderd. De formeel-literaire benadering van auteurs als Susan Sontag heeft plaatsgemaakt voor 'postcolonial studies' en 'cultural studies', die expliciet het dominante 'vertoog' van witte blanke cultuur proberen te ondermijnen.

Uit naam waarvan? Bertens zet zich af tegen de brede definitie van het postmodernisme zoals gebezigd door Jameson en de Franse filosoof Lyotard, die beiden het postmodernisme zien als 'onze toestand'. Dat is volgens Bertens een 'ongerechtvaardigde annexatie van een wereld die weinig of niets te maken heeft met de postmoderne cultuur van intellectuelen'.

Hij interpreteert het literaire postmodernisme zelf, niet als enige, vooral als een botsing tussen de idealen van de Verlichting en de gestolde, op eigenbelang gerichte variant daarvan die dominant was onder de witte bourgeoisie in de jaren vijftig. Die steriele consensus wordt nu doorbroken door 'cultural studies', vrouwenstudies en andere disciplines die een plaats opeisen voor onderdrukte geluiden. Aan de hand van 'tekstkritiek' en filosofen als Foucault, Derrida en Heidegger wordt de Wille zur Macht blootgelegd van het witte, kapitalistische, en masculiene establishment.

Maar juist in een vak als cultural studies, dat vooral in Amerika affiniteit heeft met politicologie en literatuurwetenschap, toont zich de beperking van 'totaalvisies' zoals die van Jameson. Postmoderne 'culturologen' mogen dan een boodschap uitdragen van differentie, onophefbare verschillen - Terry Eagleton verwijt hun op grond daarvan zelfs holophobia, een angst om in gehelen te denken - maar in feite zijn hun beschouwingen wel degelijk gebaseerd op een postmarxistisch 'totaalbeeld', namelijk dat van een laat-kapitalistische, intellectueel stukgedraaide westerse cultuur.

Zowel van rechter- als linkerzijde is daar de afgelopen jaren veelvuldig op gewezen. De postmoderne 'deconstructie' van teksten is bekritiseerd en belachelijk gemaakt, door zulke uiteenlopende auteurs als de marxist Terry Eagleton, de socialist Christopher Norris en zelfs de etnocentrist Rorty. Met 'deconstructie' hebben linkse intellectuelen een seculiere religie geschapen waarin 'macht' de plaats krijgt van Satan of de erfzonde, schrijft Rorty in zijn recente politieke pamflet Achieving our Country (1998). Die vrijblijvendetheologisering van de maatschappijkritiek leidt tot 'een Gothisch wereldbeeld, waarin democratische politiek een farce wordt'. En het postmodernisme een pastiche op zichzelf, zou je eraan kunnen toevoegen.

Vruchtbaarder lijkt dan nog de pragmatische 'postmoderne' koers die Rorty zelf is ingeslagen - al is ook hij niet wars van boutades en dooddoeners - en die een niet-dogmatische interpretatie van de westerse Verlichting probeert te combineren met engagement aan een pluralistische samenleving. Voor 'totaalkritiek' als die van Jameson is daarin geen plaats. Hooguit als schrikbeeld, om bij de les te blijven.