Niet zomaar een beetje fout

Job Creyghton: Lelievelds kramp. Querido, 227 blz. ƒ 39,90

Originaliteit kan de hoofdpersoon van Job Creyghtons debuutroman niet ontzegd worden. In 1980, het jaar waarin zijn Amsterdamse studiegenoten zich onledig houden met het kraken van woningen, vestigt hij zich in West-Berlijn voor een promotie-onderzoek naar 'het tragische in de nationaal-socialistische toneelliteratuur'.

Het onderwerp nazi-kunst was niet erg in zwang in die tijd, maar Jacob Lelieveld heeft er een speciale band mee. Via zijn onderzoek naar het tragische in het nationaal-socialistische drama wil hij meer te weten komen over het drama in zijn eigen leven. Op zijn werktafel in Berlijn ligt behalve materiaal voor zijn proefschrift een stapeltje kopieën van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Het zijn papieren die informatie bevatten over zijn vader, die in het begin van de oorlog in Duitsland gevangen heeft gezeten. Na zijn vrijlating werd hij hoofdredacteur van een foute roomse krant als gevolg waarvan hij na de oorlog weer gedetineerd werd.

Toen Jacob begin jaren vijftig werd geboren, was zijn vader al totaal gestoord. Tijdens regelmatig terugkerende aanvallen van paranoia en agressiviteit sloeg hij de hele boel, inclusief zijn drie kinderen, in elkaar. In de Limburgse dorpjes waar hij opgroeide, was Jacob een outcast: iedereen wist van zijn gekke vader en de oorzaak daarvan. Zelf is hij nauwelijks op de hoogte van wat er in de oorlog allemaal gebeurd kan zijn.

Gedurende zijn verblijf in Berlijn vlot het niet met zijn promotieonderzoek. Hij komt er achter dat het tragische in de nationaal-socialistische dramakunst nauwelijks voorkwam en vraagt zich af waarom hij in hemelsnaam aan dit frustrerende onderzoek is begonnen. Was het om weg te kunnen komen uit Amsterdam waar zijn vriendin Josje hem verlaten heeft voor zijn beste vriend? Hij weet het niet, maar raakt al tobbende het spoor behoorlijk bijster. Veel en intens denkt hij terug aan zijn door zijn vader verpeste jeugd, wat soms indringende, angstaanjagende passages oplevert.

Wat mij betreft had Creyghton het bij een portret van de vaderfiguur - dader en slachtoffer tegelijk - mogen laten, maar hij heeft gekozen voor een gecompliceerde, ondoorzichtige constructie. Zijn bedoeling was, vermoed ik, te laten zien dat Jacob door de agressiviteit van zijn vader ernstig gepreoccupeerd is geraakt met geweld. In Berlijn ziet hij de akeligste knokpartijen en wanneer hij in een krantenkop leest dat John Lennon is vermoord, raakt hij totaal van de kaart. In zijn kindertijd is hij niet alleen thuis, maar ook op straat gruwelijk mishandeld. Naarmate hij meer te weten komt over de met de oorlog verbonden oorzaken van zijn vaders gekte vat bij hem het idee post dat hij moet boeten voor zijn vaders zonden.

Wat waren die zonden precies? Als de vader sterft keert Jacob terug naar het ouderlijk huis waar hij via gesprekken met zijn zus, broer en moeder dingen te horen krijgt die niets ophelderen. Ook de zakagenda die hij in zijn vaders jasje vindt levert weinig op. Wel staan er veel afspraken in met jonge jongens en door het hele boek heen speelt de suggestie dat de man behalve zwaar krankzinnig, ook nog eens uiterst actief pedofiel was.

Bovendien, zo blijkt als Jacob na zijn Berlijnse jaar in Amsterdam terugkeert, was vader Lelieveld niet zomaar een beetje fout in de oorlog. Zijn naam blijkt ongeveer dezelfde associaties op te roepen als Rost van Tonningen of Blokzijl, zoals Jacob pijnlijk ervaart tijdens een cafébezoek waarin hij zichzelf en zijn vader verloochent door te zeggen dat de foute journalist zijn oom was. Een historica toont in datzelfde café op sympathieke wijze belangstelling voor zijn beladen achternaam en neemt hem mee naar haar huis. Daar vindt hij een map archiefstukken over zijn vader uit het RIOD, die hij vanwege de pijnlijke inhoud niet kan lezen en dus maar meeneemt om thuis in te zien.

Zover zal het echter niet komen: onderweg wordt hij - net als toen hij nog een klein jongetje was - overvallen door drie dronken corpsballen, die hem mishandelen. Terwijl twee hem half dood steken en met kokende olie begieten, leest de derde fragmenten voor uit documenten over zijn vader, voor wiens schuld hij nu moet boeten.

'Ik probeer gewicht te geven aan wat ik zeg, maar ik voel (-) dat het niet lukt', zegt Jacob ergens, wat een perfecte manier is om Creyghtons tekort mee uit te drukken. Ondanks de imposante problematiek imponeert de roman niet. Het verhaal is te pompeus, de plot te gezocht, de taal ontoereikend en dat laatste is zwak uitgedrukt. Toen ik voor de zoveelste keer las dat Jacob 'flink vrolijk' of 'flink vermoeid' was, ben ik eens gaan noteren: 'flink kouder', 'flink vrolijk', 'flink gefrustreerd', 'flink benauwd', 'flink nerveus'. Een stilistisch flink tekortschietend debuut.