Klare wanhoop, koele obsessie; De grootse stijl van J.C. Gr/ondahl

Jens Christian Gr/ondahl: Stilte in oktober. Uit het Deens vertaald door Gerard Cruys. Meulenhoff, 271 blz. ƒ 39,90

Deze roman is een grote verrassing, alleen al om de prachtige, ingetogen titel: Stilte in oktober van de Deense auteur Jens Christian Gr/ondahl (1959). Sla het boek open, en de bladspiegel toont al iets opmerkelijks. Forse alinea's, geen enkele dialoog, negen hoofdstukken zonder titel.

Het aantal personages is gering: er is de naamloze ik-figuur, hij is de verteller, een kunsthistoricus van 44. Al achttien jaar woont hij samen met een vrouw, Astrid. Zij heeft uit een eerdere verbintenis twee kinderen, de zoon Simon en de dochter Rosa. De kunsthistoricus had vroeger een intense liaison met Inès, de vrouw van zijn jeugd. Terwijl hij met Astrid leefde, ontmoette hij in New York de schilderes Elisabeth. Tussen hen ontwikkelde zich een liefdesgeschiedenis, maar waarom ook niet, overweegt de ik-figuur, een hele oceaan ligt er tussen New York en Kopenhagen.

De verrassing van Stilte in oktober schuilt in de onverwachte kracht van de stijl. Op de openingsbladzijde maken we via een foto kennis met Astrid, ze staat aan de reling van een schip dat over de Taag vaart, ze staat met haar rug naar Lissabon, licht speelt om haar haren. Dit idyllische tafereel, dit geluk, wordt verstoord door de volgende medeling van de schrijver: Astrid heeft hem op een ochtend verlaten. 's Morgens deed ze al geheimzinnig tijdens het ritueel van douchen, make-up, lippen stiften. Achteloos vertelt ze dat ze op reis wil. Alleen.

Als ze ineens vertrokken is en de man beseft dat ze nooit meer zal terugkeren, raakt hij bevangen door paniek. Het huis om hem heen is een koude, lege schelp. Zijn essay over Cézanne wil niet vlotten, vanzelfsprekend niet. Hij komt in een maalstroom terecht van heftige herinneringen aan vroeger. Daarin figureren, behalve Astrid, twee andere vrouwen uit zijn leven: de beeldschone Inès en de hoekige Elisabeth.

De navolgende kleine driehonderd bladzijden zijn een majestueus bewijs van Flauberts stelling dat een roman gedragen moet worden door de stijl en niet door de gebeurtenissen. Gr/ondahl is wars van pathetiek of sentiment, hoewel de pijn schrijnt achter elke regel. Zijn intensiteit is die van de klare wanhoop, de koele obsessie. Wanneer de hoofdpersoon bijvoorbeeld bij kennissen op bezoek is en naar het toilet gaat, ziet hij in de badkamer een geel speelgoedeendje van het jongste kind. De aanblik van het beestje dat hem met gesnater zou willen opvrolijken, roept een scala aan herinneringen op aan zijn stiefzoon Simon, toen die klein was. Daarna keert hij terug in de woonkamer met de vrienden. De entourage is hem een kwelling: wat moet hij hier, nu zijn vrouw er vandoor is, en al die onberispelijke partners hem niets anders lijken te vertellen dan op welke hechte fundamenten hun levens zijn gebouwd. Allen in de greep van traditionele familiegebeurtenissen: ouders, broers of zussen, de solide zekerheid van een gevestigd bestaan. De ik is daardoor verbijsterd; hij zoekt een houvast, een perspectief in dit kronkelige relaas waarin tijd en plaats 'in weerbarstige spiralen verspringen'.

Tijdens zijn studententijd was de kunsthistoricus taxichauffeur. Tijdens een van de ritten rijdt hij doelloos rond met een van haar man weggelopen vrouw en haar zoontje; ze kan nergens heen, zijn huis biedt haar tenslotte onderdak. Sindsdien is ze bij hem gebleven. Het is of de ik-figuur geen deelnemer is aan de gebeurtenissen die hem overkomen, hij laat alles toe in zijn leven. Dat is een laconieke houding, maar ook een tragische. Hij ontneemt zichzelf het recht in te grijpen.

De decorstukken in deze roman verschuiven geleidelijk. Eerst kan de lezer nog verbijsterd zijn door het bruuske vertrek van de vrouw, naderhand dringt het besef door dat de man zelf de schuldige van haar afscheid is. Dat komt niet alleen door zijn overspelige verhouding met de New-Yorkse Elisabeth, eerder door zijn manier van adoreren die geen vrouw kan uithouden. In de verhouding tot Inès verwoordt hij het voortreffelijk: '(Het) ging eerder om de manier waarop ik van haar had gehouden, wild en hongerig, zonder voorbehoud, naakt en weerloos. Niemand was ertegen bestand om op die manier bemind te worden, en als ze het zou hebben toegelaten zou ik haar ongetwijfeld total loss hebben bemind. Het was een onrijpe, egocentrische liefde geweest, zei ik tegen mezelf. Ik hield helemaal niet van Inès maar van mijn eigen verliefde beeld van haar, een verguld icoon die raadselachtig straalde in mijn dagdromen. Mijn fanatieke adoratie was bijna krenkend, omdat zij nooit een kans zou hebben gehad om te beantwoorden aan de overdreven voorstellingen die ik me van haar maakte.'

In deze registrerende, schijnbaar achteloos neergeschreven regels schuilt een liefdesdrama - het drama ook dat deze man tekent: in zijn liefde is hij zo absoluut, dat de ander het als een beklemming gaat ervaren. Feitelijk rouwt hij het hele boek door over zijn verloren jeugdliefde Inès. Astrid doorziet dat. Daarom vlucht zij van hem weg.

Jens Christian Gr/ondahl vervlecht fraaie motieven door de roman, zoals dat van de familiefoto's. Hij staat daar, omdat hij de kiekjes nam, nooit op. Zo werkte hij al aan zijn eigen verdwijning uit het leven van Astrid. Omdat zij hun gezamenlijke bankpas gebruikt, weet hij via de afschriften waar zij verblijft. In Portugal, op de oude plaatsen van hun vroegere vakantie. Het is alsof ze hem roept ook daarheen te gaan. Maar de ik-figuur blijft op zijn werkkamer, de herinneringen koesterend. In zijn verbeelding ziet hij haar liggen op het bed in het hotel van vroeger. Of ze staat weer aan de reling van de boot. Haar afschriften zijn als invitaties. Dat de man weigert te gaan, getuigt van een fascinerend en tegelijk pijnlijk zelfinzicht. Stilte in oktober is een groots boek door de majesteitelijke beheersing van heftige emoties.