‘Kinderen willen meer dan haasjes en eendjes’

De beste verhalen hebben geen oplossing en geen moraal, heeft Wolf Erlbruch ontdekt. Je kunt kinderen het best ‘vreemde’ dingen voor schotelen: liever Faust dan Disney.

Wolf Erlbruch (50), Duits graficus, vormgever en prentenboekenmaker, heeft grijze kwastjes als wenkbrauwen. Zijn kale hoofd is langwerpig, de plukken haar boven zijn oren zijn onbestemd grijs-beige. Soms draagt hij een kwiek rond brilletje. Dit alles was bekend uit zijn boek Leonard (1998), waarin hij zelf figureert als verdrietige vader wiens zoontje in een hond is veranderd. Maar als hij de zware deur van zijn monumentale negentiende eeuwse huis in Wuppertal opentrekt, verrast de immense gelijkenis met zijn op bruin pakpapier geschilderde en vervolgens uitgeknipte alter ego toch.

Wolf Erlbruch zorgde, samen met ander uit Duitsland afkomstig nieuw talent als illustratrice Rotraut Susanne Berner, voor de leukste en meest opvallende prentenboeken die de afgelopen jaren in Nederland verschenen. Hij raakte bekend door zijn illustraties bij Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop gepoept heeft, geschreven door Werner Holzwarth. Een vastberaden molletje gaat bij alle dieren langs om hun ontlasting te monsteren. Wereldwijd zijn inmiddels een half miljoen exemplaren verkocht van het prentenboek dat in de Verenigde Staten als ‘te platvloers’ werd ontvangen. De mol draagt een typisch Erlbruch-brilletje, met kleine ronde glaasjes zonder ogen erachter. De eerste tekening die Erlbruch ooit maakte was van zo’n brilletje. Hij was toen twee jaar.

Wolf Erlbruch is opgeleid tot graficus aan de kunstacademie te Essen. Illustrator worden was niet zijn streven, affiniteit met kinderboeken had hij nauwelijks. Hij werkte als vrij kunstenaar en reclametekenaar, tot hij in 1989 gevraagd werd door uitgeverij Peter Hammer Verlag te Wuppertal om tekeningen bij een kinderboek te maken. Inmiddels geeft hij zelf les in het vak ‘Illustratie’ aan de ‘Gesamthochschule’ in zijn woonplaats.

Op het boek over de mol volgden meer illustraties. Het eerste boek dat Erlbruch zelf schreef, De verschrikkelijke vijf, had nog een echte kinderboekenmoraal. Een pad, een vleermuis, een rat en nog zo wat lelijke beesten ontdekken dat ze ondanks hun uiterlijk heel wat waard zijn. “Ik wist toen nog niet wat een kinderboek was, en zijn kon”, zegt hij nu. Erlbruchs verhalen werden sindsdien steeds minder voorspelbaar, gedurfder, rijker.

Absurdisme

“Inmiddels denk ik dat de beste verhalen geen einde, geen begin, geen oplossing en geen moraal kennen”, zegt hij. “Volwassenen hebben de neiging het leven voor kinderen in kleine kastjes te verpakken, ze keurig afgeronde verhaaltjes toe te dienen. Ik wil kinderen niet in negatieve zin onrustig maken, maar ze wel aanzetten tot het gebruik van hun eigen fantasie.” Daarmee formuleert Erlbruch meteen de boodschap die toch in al zijn boeken zit. Mevrouw Meijer, de merel (1997) bijvoorbeeld laat zich lezen als een pleidooi voor de verbeelding, voor het opzij zetten van je angsten en boven jezelf uitstijgen. Van absurdisme moet Erlbruch niets hebben, “dat berust al gauw op een truukje”, maar een boek moet ‘open’ zijn, met de illustraties ‘zo ver als maar mogelijk’ van de tekst af. Kinderen moeten vrij zijn in hun interpretatie.

Aanstaande zondag krijgt Wolf Erlbruch voor Mevrouw Meijer, de merel zowel een Zilveren Penseel als een Zilveren Griffel. In Duitsland is hij onder andere in 1993 bekroond met de Jugendliteraturpreis. Hij is ook bekend en geliefd in Japan en Engeland. Het succes heeft hem wat overvallen, zegt hij. “Nu trekken vijf, zes uitgevers aan mij om nieuw werk, maar ik begin te denken: wat is er ook alweer nog meer in het leven, dan kikkers met broeken aan?” Erlbruch spreekt goed Nederlands. Aan het begin van de jaren zeventig woonde hij een tijd lang op het Groningse platteland met een Nederlandse vrouw. Soms moet hij lang denken over een woord en hij spreekt ‘humor’ uit als ‘humeur’. ‘Humeur’ is een van de belangrijkste vereisten voor een kinderboek, wat hem betreft.

Erlbruchs illustraties zijn meestal collages. Hij spaart mooi bedrukt papier, maar gebruikt ook postenveloppen, pakpapier of blaadjes uit een oud schriftje (o.a. in Zehn grüne Heringe, uitgegeven bij Hanser Verlag, niet in Nederland verschenen). Zijn figuren knipt hij uit. Zijn tekeningen tonen een mengeling van plompe, zwart omlijnde vormen en sierlijke, ranke lijnen. Zijn kleurgebruik is veelal helder. Erlbruchs robuuste figuren zijn tot een verbazingwekkende gratie en beweeglijkheid in staat. Behalve door Japanse prentkunst laat Erlbruch zich inspireren door allerlei kunstenaars, van Amerikaanse abstracten tot Velasquez, Rafael en Rembrandt. “Ik denk na over mijn tekeningen en vanzelf komen herinneringen naar boven, associaties, beelden van hoe anderen in de kunstgeschiedenis grote gevoelens verbeeldden.”

De grens tussen illustreren en ‘echte kunst’ ervaart hij als benauwend en onnodig. “Kinderen hoeven heus niet alleen haasjes en eendjes. Toen mijn zoon Leonard zeven of acht jaar was, begon hij zich te vervelen met het vaste schema van veel kinderverhalen”, zegt hij. “Ik ben korte verhaaltjes van Gorki gaan voorlezen. Dat greep hem wel, omdat het anders was, ongewoon, onbekend.” In Duitsland bewerkte Erlbruch onlangs Das Hexen-Einmmals-Eins uit Goethe’s Faust. Kinderen kunnen daar best wat mee, zegt hij. En zelf begrijpt hij het ook niet helemaal.

Mondharmonica

In zijn tekeningen gaat hij uit van “de werkelijkheid zoals kinderen die kennen.” Tegen een achtergrond van grauwe flats laat hij een hoekige jongen de vlinders uitvinden (De ontdekking van de vlinders door Giaconda Belli). Mevrouw Meijer is een doorsnee huisvrouw met dikke armen die boodschappen doet en cakes bakt. Haar verhaal is echt gebeurd. Erlbruch kent de personages goed. Mevrouw Meijer is een zorgelijke vrouw met een onbezorgde man. Terwijl zij tobt, spaart hij viltjes en repareert radio’s. In het boek heeft hij kinderlijker hobbies: poezen schilderen, poppetjes knippen, mondharmonica spelen. Net als in het boek vond de vrouw een uit het nest gevallen vogeljong, dat ‘als een kindje’ voor haar werd en een eind maakte aan haar routine-zorgelijkheid. Erlbruch was onder de indruk van de intensiteit waarmee de echte mevrouw Meijer over de merel praatte en maakte er een boek over. Voor haar was Mevrouw Meijer, de merel een verrassing. Ze haalde er de Duitse kindertelevisie mee, waar ze trots demonstreerde hoe je tulband bakt.

Erlbruch wil kinderen weghouden uit pretparken, hen de ogen openen voor de schoonheid van alledag: “Een gewone stad biedt zoveel moois, de zon die schijnt op een lelijke winkel. In Disneyworld wordt alles aangereikt. Kinderen wordt nadrukkelijk te verstaan gegeven hoe grappig en leuk het is. Alles wordt voorgekauwd.” Steeds meer volwassenen worden volgens Erlbruch ook enkel nog opgewonden van onzinnige kicks als bungee jumpen en skydiven.

Door de hoge kamers van zijn huis slingeren kranten met in de marges “piepkleine postzegelschetsjes”. Zo komen Erlbruchs prentenboeken tot stand. Hij experimenteert met de compositie van de platen en met de ‘scenografie’ van het prentenboek. Eindeloos zit hij te schetsen en te schuiven met zijn uitgeknipte figuren. Pas later volgen de woorden.

De totstandkoming van een Erlbruch-boek duurt lang. Hij tekent zijn figuren in allerlei houdingen om ze door en door te leren kennen, denkt eindeloos over ze na, leeft met ze tot het boek bij de drukker ligt. “Ik moet alles weten van mijn personages. Mevrouw Meijer bijvoorbeeld draagt witte, vrij grote onderbroeken, met soms een beetje roze. Dat zie je aan haar gezicht. Mensen met zwart ondergoed aan kijken heel anders.”

Alle in het artikel genoemde boeken van Wolf Erlbruch zijn verkrijgbaar in de boekhandel. Werk van zijn hand is uitgegeven door Querido, Leopold, C. de Vries-Brouwers en De Geus. Recent verschenen: ‘Leonard’, uit het Duits vertaald door Jacques Dohmen, Querido, ƒ 29,90. ‘De beer in de speeltuin’, met tekst van Dolf Verroen, Leopold. ƒ 24,90.