Kind tussen zeven zusters

Joke van Leeuwen: Kukel. Querido, 151 blz. ƒ 29,90

Het is een liefdesgeschiedenis, het verhaal van Kukel. Een liefde tussen een gemankeerde moeder en een gemankeerde zoon. Hun liefde is mooi maar enigszins onmogelijk wat het geheel een verdrietige ondertoon geeft, zodat een lezer om het vele grappigs lacht alsof er gehuild wordt. Dat worden twee ononderscheidbare reacties.

Kukel is het nieuwe boek van Joke van Leeuwen en het is in allerlei opzichten helemaal Joke van Leeuwen: er zijn tekeningen die de tekst onderbreken waarop mensen met ronde hoofden, vreemde neuzen en grote monden te zien zijn. Er is een kind dat los raakt van de vertrouwde omgeving. Er is de onwil om de dingen afgesleten te zeggen waardoor elke zin een verrassing kan bevatten: 'Er lag zoveel op de vloer te slingeren dat er geen plaats meer was voor zijn voeten. Hij schopte een beetje plaats.' En wat ook echt Joke van Leeuwen is, is de plaats die gemaakt wordt voor angst en onzekerheid, voor dreiging van allerlei soort, voor verdriet.

Het verdriet van Kukel, die eigenlijk Josofus heette, zit hem in zijn ontheemdheid in eigen huis. Hij heeft geen vader of moeder, alleen zeven zussen die prachtig kunnen zingen. En Kukel kan niet prachtig zingen. 'Kukel klonk als een kalfje dat met zijn achterpoten klem zit.' Kukel heeft bovendien de droevige eigenschap dat veel van wat hij aanraakt kapot gaat en het meeste van wat hij onderneemt verkeerd gaat en dat alles wat hij aan heeft vies wordt. Dus die keer dat hij met zijn zeven zussen mee mag naar de schouwburg waar zij gaan optreden voor de koningin, als hij zijn mond maar zal houden, die keer gaat er ook erg veel mis. Kukel raakt zo in de ban van de koningin dat hij ineens toch luidkeels met zijn zussen mee begint te zingen. Zijn zussen, die al van plan waren Kukel een poosje uit huis te doen, sturen hem meteen naar 'het opvanghuis'.

Vanaf dat moment is Kukel geheel overgeleverd aan zijn verlangen, dat heel groot is, om bij iemand te horen. Zijn idee dat hij eigenlijk het kind van de koningin is, zet zich steeds steviger in zijn hoofd. Dus doet hij zichzelf cadeau aan de koningin.

En het wonder gebeurt: als hij, alweer geheel besmeurd en op van de zenuwen, tevoorschijn valt uit de doos en tegen de koningin zegt 'Ik hoor bij u. Ik ben eigenlijk uw kind' raakt hij iets in de koningin. Want de koningin heeft geen kinderen. De koningin heeft verdriet.

De scène waarin wij te horen krijgen wat het verdriet van de koningin is, is prachtig. De koningin spreekt heel deftig, een beetje als de onze, en Van Leeuwen geeft niet alleen haar woordkeus maar ook haar uitspraak weer. Zo zegt de koningin bijvoorbeeld 'zritterend' als ze 'schitterend' wil zeggen, en ze spreekt natuurlijk van 'wij' en ze heeft ook iets lichtverkoudens in haar uitspraak - 'zdopt' in plaats van 'stopt' etc. Ze vertelt over haar verongelukte man en over haar verdriet, allemaal in dat rare taaltje en dat is zeer grappig en zeer schrijnend. 'En opeens gezriedde er iets, terwijl ons was verzekerd dat er niets kon gezrieden. Zijn vliegtuigje zdortte zmartelijk in zee.'

Zowel Kukel als de koningin zijn eenzame personages. Veel mensen lijken nogal allenig in dit boek en ze hebben meestal ook niet erg veel greep op hun leven. Dat is ook te zien op de plaatjes, die tonen wat er zoal mis kan gaan, of wat de consequenties van iets zouden kunnen zijn. Op de Van Leeuwense manier grappig-droevig is bijvoorbeeld een overweging van Kukel die in een programmaboekje een foto ziet van zijn zussen. 'Ze lachten zoals hij ze thuis nooit had zien lachen. Alle andere mensen in het boekje lachten ook. Zo zagen gewone mensen op straat er nooit uit. Alles zou er heel anders uitzien als iedereen de hele tijd zo zou lachen als de mensen op die foto's.' En dan volgt een tekening die laat zien hóe anders alles er dan uit zou zien.

Van Leeuwens boeken gaan eigenlijk altijd over de condition humaine, vertaald naar de condition enfantine, en die condition is een eenzame en angstige. Vanuit het perspectief van iemand die van onderaf naar alles kijkt, is de wereld maximaal onoverzichtelijk en bedreigend. Volwassenen kunnen dat misschien nog ontkennen, en spelen dat ze alles geweldig in de hand hebben, maar voor kinderen is dat onmogelijk, al kunnen ze wel leren zich te handhaven. In dit boek is het ook onmogelijk voor de vrouw die op een heuvel hoog boven alles uitwoont. Want hoewel de koningin een troost en steun kan zijn voor haar onderdanen en zelfs de hardnekkige mist in het land kan laten ophouden, moet ze zich in haar eigen leven neerleggen bij haar kinderloosheid en bij het verlies van haar man. 'Het is vrezelijk als iemand van wie men houdt onvindbaar, niet trazeerbaar is. Vrezelijk.'

Gelukkig is er Kukel. En gelukkig is er Joke van Leeuwen die die eenzaamheid bedwingt met taal, tekeningen en grappigheid.

Zijn zussen waren klaar met het smalle lied en zetten het volgende in. Ze slingerden hun zeven stemmen als een prachtig vlechtwerk door elkaar. Iemand in de zaal kuchte. Een paar meisje giechelden even.

De koningin keek onbeweeglijk glimlachend naar zijn zussen. Soms dacht Kukel dat ze ook naar hem keek. Ze kon hem vanaf de zijkant beter zien dan de andere mensen. Het leek zelfs of ze meer naar hem keek dan naar zijn zussen. (-)

Er kroop een gedachte bij Kukel naar binnen, die in zijn hoofd ging zitten als in de beste stoel die er was. De koningin herkende hem, dacht hij. Daarom keek ze steeds naar hem.

Uit Joke van Leeuwen, Kukel