Het kan niet zachter; Gesprek met organiste Marie-Claire Alain

Marie-Claire Alain, de 'grande dame' van de Franse orgelcultuur, treedt twee keer op in het Amsterdamse Concertgebouw. “Ik zal Bach nooit op een modern orgel spelen, er zijn er genoeg uit de tijd.”

Marie-Claire Alain en het Nederlands Kamerorkest o.l.v. Philippe Entremont: 10 en 16/10 Grote Zaal Concertgebouw Amsterdam.

De ramen moeten even dicht, anders wordt de buurt weggeblazen door het orgel. Marie-Claire Alain is 70 geworden. Haar platenmaatschappij Erato heeft het verklapt door een speciale jubileum-cd uit te geven. Anders had niemand het geweten of gezien. Als zij in haar huiskamer gaat zitten achter het instrument dat haar vader nog heeft gebouwd, verraadt ze evenmin wat ze noemt 'de atletische eisen die worden gesteld aan de organist': een musicus die met handen en voeten speelt, een heel orkest vervangt en het ook nog dirigeert.

De kamer galmt hemels, al zet de organiste alle knoppen op dempen. “Ik word er soms doof van als ik repeteer”, lacht ze. “Maar het kan niet nog zachter.” Ze moet zich thuis steeds indenken hoe het in het echt zal klinken. Bijvoorbeeld haar negenstemmige bijdrage aan Poulencs concert in g kleine terts, dat ze in het Amsterdamse Concertgebouw zal spelen. Marie-Claire Alain woonde in een groot huis op het platteland buiten Parijs, tot haar man overleed en het te afgelegen werd. Daar had ze een ruime schuur om het orgel voluit te laten schallen. Nu woont ze in het koetshuis van een statig buiten in de verstedelijkte groene zone ten westen van Parijs, omringd door nieuwere huizen en flatgebouwen. Met ramen dicht hebben ze er geen last van, noch het plezier.

Want dat is wat Marie-Claire Alain vooral uitstraalt: de vreugde van het musiceren op een van de ingewikkeldste instrumenten uit de muziekgeschiedenis. Je kan er thuis niet zomaar op oefenen en mee op reis kan een orgel al helemaal niet. “Bij het opstellen van repetitieschema's vergeten concertzalen wel eens dat ik niet op mijn kamer kan repeteren, zoals strijkers en blazers. Ik heb minstens twee, drie uur nodig alleen al om een orgel helemaal in te stellen vóór het orkest komt. Vijf uur is beter om een instrument te leren kennen. Per instrument zijn er veel meer verschillen dan tussen de ene en de andere Steinway-vleugel. Je moet de registers organiseren. Voor de concerten in Amsterdam moet ik de computer van het orgel preparen om Poulenc te kunnen spelen.”

We zaten intussen op het terras, maar mevrouw Alain holt weer naar binnen om de partituur van Poulenc te halen. Bij de strategische overgangen heeft ze gele papiertjes met een nummer geplakt. Op die momenten moet zij een knop indrukken die zorgt dat het orgel een andere instelling krijgt. “Zonder die computer zou er links en rechts van mij iemand moeten staan die op de bewuste ogenblikken een aantal registratieknoppen indrukt of uittrekt.”

Is het met die computergestuurde overgangen nog meer een eenzaam instrument geworden? Er is niet veel muziek met orkest en kamermuziek voor orgel geschreven. “Welnee, ik heb mijn publiek toch? Men ziet mij wel niet, maar ik hoor hun ademhaling en de kwaliteit van de stilte. Als ze niet reageren merk ik het direct. Het is waar, er is vrij weinig kamermuziek. Met Maurice André heb ik veel samengespeeld. Een geweldig trompettist. Dat ging goed. Vroeger heb ik nogal wat koren begeleid; die kunnen een orgel goed hebben. Maar met viool samenspelen werkt niet. Dan moet ik mijn volume te sterk verminderen. Orgel blijft meer een solo-instrument.”

Orgelbouwer

Het was nauwelijks een speling van het lot dat Marie-Claire Alain voor dat instrument koos. Haar ouderlijk huis - zij was de jongste van vier - was dagelijks vervuld van orgel- en andere muziekklanken. Iedereen speelde een of meer instrumenten. Haar vader Albert Alain was bovendien orgelbouwer, haar vijftien jaar oudere broer Jehan organist en componist. Marie-Claire speelde van jongs af aan op iedere piano en orgel die ze tegenkwam, zonder dat zij zich kan herinneren wanneer zij noten heeft leren lezen. Ze had geen les. Haar vader vond een muzikale opleiding voor een meisje niet nodig. Toen zij veertien was kwam Jehan als militair bij Saumur om het leven - het was juni 1940. De zinloze dood van die geliefde broer versterkte haar wil om door te gaan op zijn instrument.

“Niet mijn vader maar hij had mij muzikaal het meest geleerd. Toen Jehan was overleden heb ik tegen mijn vader gezegd: 'Dit is wat ik wil doen. Kan je zorgen dat ik serieus les krijg?' Dat heeft hij gedaan. Na een paar jaar in mijn beroepscarrière wist ik dat ik wilde doen wat mijn broer zou hebben gedaan: zijn muziek spelen en uitdragen. Zijn Litanies was al snel beroemd, maar men denkt altijd dat dat alles is wat heeft gecomponeerd. Hij heeft in werkelijkheid veertig orgelstukken geschreven, en niet die twee of drie die men kent. Daar moet ik nog steeds voor knokken. Ik neem op reis altijd artikelen, foto's en kopieën van manuscripten mee om jonge musici te inspireren. Hij heeft meer dan zestig werken voor piano geschreven, vocale muziek en kamermuziek. Zijn Trois Danses voor orgel waren bedoeld voor orkest, maar hij is er niet aan toe gekomen dat uit te werken. Jehan heeft ook nog strijkkwartetten geschreven, voor fluit en cello, en nog meer. Het zijn in totaal 140 opusnummers, allemaal ontstaan tussen zijn negentiende en zijn negenentwintigste. Dat is fakkel die ik heb te dragen.”

Aan die zelfde broer is de Prélude et Fugue sur le nom d'Alain van Maurice Duruflé (1902-1986) opgedragen die zij in Nederland ook zal spelen, samen met Les Berges van Messiaen (1908-1992). “In dit stadium van mijn leven wil ik definitief geen oude muziek meer spelen op een modern orgel. Het orgel van het Concertgebouw is een zeer typerend orgel uit het begin van deze eeuw. Ideaal voor muziek uit die tijd. Maar ik speel Poulenc en Bach niet meer op het zelfde orgel. Zoals ik Messiaen en Poulenc niet op een achttiende-eeuws orgel speel, zal ik Bach nooit op een modern orgel spelen, er zijn er genoeg uit de tijd. In Nederland bijvoorbeeld in Alkmaar, Groningen en Haarlem. Ook de Laurenskerk in Rotterdam kan, die heeft een 'très belle copie'.”

Monstrueus

Het orgelrepertoire is 'monstrueus', zegt Marie-Claire Alain en zij wijst op de meters kast waarin de meeste bladmuziek voor het instrument is opgeslagen. Zij kan natuurlijk alles spelen, maar uitvoerend houdt zij op bij 1950. In de loop der jaren is zij zich steeds meer gaan toeleggen op “het onderzoek naar de interpretatie van oude muziek. Ik probeer zo dicht mogelijk te komen bij hoe het gemaakt was. Ik zoek de historische waarheid”.

Daarom heeft Marie-Claire Alain tussen 1985 en 1993 voor de derde keer een integrale uitvoering van het orgelwerk van Johan Sebastian Bach opgenomen (veertien Erato-cd's). Haar opvattingen waren sterk geëvolueerd. Bovendien kon zij dit keer alles op authentieke orgels spelen. Zij begon in de Groningse Martinikerk en kon na de val van de Muur een deel opnemen op de orgels van Silbermann in Oost-Duitsland waar Bach zelf nog op heeft gespeeld.

Waarom drie keer de hele Bach? “Omdat hij de grootste is, voor orgel en in het algemeen. De intelligentie, de beheersing, het reikt tot in de filosofie, de wiskunde. Het is alles, alles. En deze derde keer had ik de vrijheid bij ieder werk het best passende orgel te kiezen. Dat was een droom. Het bijzondere van die orgels in Freiburg en Rötha is dat zij onveranderd zijn sinds Bachs dagen. Ook de DDR heeft ze als pronkstukken bewaakt. Je waant je in een andere wereld als je dat hoort.”

Wat is de essentie van het orgel? Marie-Claire Alain: “Kenmerkend is de doorlopende klank. Dat vergt een extra grote precisie. Je moet iedere noot aanslaan, maar niet vergeten hem ook weer los te laten. Bij piano kan je het geluid laten wegsterven. Decrescendi kunnen bij ons, maar ze zijn lastig. Het orgel heeft altijd een belangrijke roeping in de kerk gehad, al is het geboren in het Griekse theater. Het was het luidste instrument van de middeleeuwen. Het heeft altijd een publieke functie gehad. Nu is het meer een West- en Noord-Europees instrument, hoewel de katholieke kerk het meer ruimte voor improvisatie gunt dan de protestantse.

“Het is waar: ik speel als katholiek op een protestants instrument. In onze tijd zijn er erg weinig concertzalen met goede orgels. In Japan zijn er veel meer; daar is ook een talrijk publiek voor en ze zijn gek op Bach, dus dat treft. Het orgel bezit een enorme intensiteit, een enorme aanwezigheid, maar je kunt er ook heel snel, fijn en nerveus op spelen. Alle soorten muziek bestaan er voor, net als voor orkest, zeker ook wereldse. Het orgel heeft van oudsher het orkest vervangen. Ieder kasteel had er wel een. Dit was het instrument bij uitstek om op te dansen!”