Het gelijk achteraf van een eenzame havik

Srebrenica laat Nederland niet los. De manier waarop de militaire en civiele bureaucratie van Defensie daarover sinds de zomer van 1995 de eigen minister en via hem het parlement en het hele volk heeft ingelicht, was deze week voorwerp van kritische beschouwing door de commissie-Van Kemenade.

Zij zal niet de laatste zijn die de tragedie onderzoekt. De 'verwerking van het verleden' blijft intussen niet tot Nederland beperkt. De verschijning van Richard Holbrooke's To end a War heeft ook in de Verenigde Staten de belangstelling verhevigd voor de achtergronden en oorzaken van de Bosnische burgeroorlog, die in Srebrenica een verschrikkelijke climax bereikte.

Soms voegen recensies onthullingen toe aan wat al in het besproken werk zelf werd blootgelegd. Een voorbeeld hiervan is de bespreking van Holbrooke's boek door Paul Wolfowitz in het herfstnummer van The National Interest. Wolfowitz was onderminister van Defensie in de regering-Bush. Hij vertelt hoe hij in het voorjaar van 1992 met generaal Colin Powell, voorzitter van de Verenigde Chefs van Staven, de kwestie besprak van het wapenembargo dat de VN voor heel voormalig Joegoslavië hadden afgekondigd. Het was geen geheim dat dit embargo de Bosnische Serviërs, dankzij hun enge verbindingen met het federale leger, zwaar bevoordeelde - ten koste van Kroaten en moslims. De uitdaging was niet, schrijft Wolfowitz, Powell te overtuigen van de immoraliteit van het embargo. Evenmin wilde hij de strategische kant van de maatregel aan de orde stellen, ook al hadden de VS met de aanvaarding van het embargo een instrument uit handen gegeven dat zijn verdienste had bewezen tijdens de Tweede Wereldoorlog en in Afghanistan. “Ik argumenteerde slechts dat het wapenembargo zou leiden tot betrokkenheid van Amerikaanse grondstrijdkrachten in Joegoslavië.”

De redenering was eenvoudig. Door de Bosniërs de middelen te onthouden om zichzelf te verdedigen nam de internationale gemeenschap de verantwoordelijkheid op zich hen te beschermen. En sinds die gemeenschap, in dit geval voornamelijk de West-Europese mogendheden, daartoe de wil of het vermogen ontbrak, zouden de VS zich vroeg of laat gedwongen zien zelf troepen te sturen. Powell toonde zich volgens dit relaas onder de indruk van de argumentatie, maar wilde weten wat het ministerie van Buitenlandse Zaken hiervan vond. Dat departement wilde niet meer dan humanitaire hulp verlenen. Powell vond het onverantwoord onder dergelijke omstandigheden Amerikaanse soldaten, die de opdracht hadden om vluchtelingen van voedsel en medicijnen te voorzien, risico te laten lopen door in de kwestie van de wapenleveranties partij te kiezen. Wolfowitz mocht bij hem terugkomen als hij het State Department van zijn zienswijze had weten te overtuigen.

Hoe de Amerikanen ten slotte in de Bosnische oorlog verzeild raakten is een verhaal op zichzelf. Holbrooke doet er verslag van. Dat verslag heeft zijn weg gevonden in de zevende aflevering van de inmiddels achtdelige uitmuntende serie over de Joegoslavische troebelen van Mark Danner in The New York Review of Books, in het essay The Triage of Dayton door Warren Bass in het jongste nummer van Foreign Affairs en natuurlijk ook in de bespreking van Wolfowitz. OP-PLAN 40104 van de NAVO, schrijft Bass, regelde de Amerikaanse steunoperatie van 20.000 man sterk voor het geval de evacuatie van de blauwhelmen uit Bosnië noodzakelijk zou worden. Het plan was opgesteld als gevolg van een voorgenomen besluit van president Clinton zelf. Alleen, de president wist niets van het bestaan van het plan noch van de formele aanvaarding ervan door de NAVO-raad. Toen de toestand in de zomer van 1995 voor de blauwhelmen hopeloos dreigde te worden, moest Holbrooke Clinton vertellen waartoe de VS zich al hadden verplicht. De Nationale Veiligheidsraad had kort daarvoor de kwestie besproken alsof alle opties open waren.

Wolfowitz blijkt in het Bush-team een eenzame 'havik' te zijn geweest. Toch treft zijn kritiek vooral de regering-Clinton omdat kandidaat Clinton tijdens de verkiezingscampagne van 1992 de regering in diskrediet had gebracht door zichzelf in de Bosnische kwestie als een activist te presenteren. Het akkoord van Dayton, dat aan de oorlog een einde maakte maar een verdeeld Bosnië achterliet, zo schrijft ook Bass, was allesbehalve een rechtvaardiging van de idealen die Clinton Bush had voorgehouden: beëindiging van de genocide, vervolging van oorlogsmisdadigers, bevordering van tolerantie, handhaving van een multi-etnische natiestaat en de inzet daartoe van internationale en Europese instellingen. Integendeel, Dayton versterkte de posities van de presidenten Miloševic en Tudjman.

Wolfowitz verhaalt over de absurde dwangpositie waarin de Amerikaanse generaals in september 1995 hun president brachten, toen zij verklaarden dat Holbrooke's vredesmissie snel moest worden afgerond omdat er binnen twee of drie dagen geen Servische doelen meer waren om te bombarderen. De lijst van operaties waartoe zij waren gemachtigd was opgebruikt. Clinton beklaagde zich dat de militaire en diplomatieke inspanningen niet beter op elkaar waren afgestemd. Het was een probleem, meent Wolfowitz, dat alleen de president zelf kon oplossen.

Een van de zelden vermelde feiten omtrent het akkoord van Dayton noemt Wolfowitz de beslissende rol van het succesvolle zomeroffensief van Kroaten en moslims in de door Serviërs bewoonde provincies van Kroatië en Bosnië. Dat succes was slechts mogelijk door wapenleveranties aan Kroaten en moslims buiten het embargo om. De ontduiking van het embargo is een van de vele grotendeels onopgehelderd gebleven kanten van de internationale interventie in de Bosnische burgeroorlog. Ondanks een ruime meerderheid in het Congres vóór intrekking hield de president tot het einde vast aan het embargo. Tegelijkertijd trainden Amerikaanse militairen-buiten-dienst Kroaten en moslims in het gebruik van officieel niet aanwezige wapens. Maanden later arriveerden de eerste geregelde Amerikaanse troepen. Zoals Wolfowitz in 1992 had voorspeld.