Herstel van een ideaal; Het Haags Gemeentemuseum 'archeologisch' gerestaureerd

De restauratie van het Haags Gemeentemuseum is bijna voltooid. “Het lijkt wel of Berlage's laatste ontwerp uit 1935 net gebouwd is.”

Voordat directeur Hans Locher de bovenzalen van het Haags Gemeentemuseum betreedt, trekt hij zijn schoenen uit en vraagt hij zijn bezoeker hetzelfde te doen. Het parket is geschuurd en van een verse, nog kwetsbare vernislaag voorzien. “Vroeger lagen hier effen grijze rubbervloeren”, vertelt Locher, “maar die waren niet erg praktisch. Zij gaven hinderlijke spiegelingen en zelfs schone voetstappen lieten op het te zachte rubber vuile vlekken achter. Asfalt in de regen, vond men die vloeren en het lopen erover veroorzaakte hinderlijk gepiep. In de jaren vijftig zijn ze door parket vervangen. Met dit vervelende visgraatpatroon niet het mooiste. Maar voor nieuwe houten vloeren hadden wij geen geld meer.”

Zwijgend schuifelend op kousenvoeten door de lege, witte zalen die nog naar verf ruiken, is de associatie onvermijdelijk. Wij bevinden ons in de tempel. Nu vallen in dit heiligdom nog slechts ruimte en licht te beleven. Over drie weken verschijnt hier de kunst, dan zullen ruimte en licht aan het werk moeten. Je voelt dat die twee zich erop verheugen.

Het sacrale karakter van het museumgebouw wordt eigenlijk al beneden aangekondigd. In de wonderlijk lichte hal met de helgele en donkerrode tegeltableaus staat op een reliëf van kalksteen en bladgoud het eerste gebod dat in dit museum van kracht is: 'EER HET GOD'LIJK LICHT IN D'OPENBARINGEN VAN DE KUNST'. De allegorische vrouwenfiguur op de voorstelling (Willem van Konijnenburg, 1940) draagt een aureool met in het midden de afbeelding van een stadspoort. Vijf engelachtige muzen die de stralenkrans omhooghouden, verbeelden de kunsten die onder patronage van de stad tot bloei moeten worden gebracht. Het tableau dat zoveel cultureel idealisme van het Haagse stadsbestuur verwacht, ontvangt op deze zonnige dag een inderdaad hemels licht uit hoge raampartijen.

De gedateerde stijl van het bijna religieuze reliëf verraadt dat het Gemeentemuseum al een leven van ruim zestig jaar achter de rug heeft. Tot voor kort was die leeftijd ook aan de fysieke conditie van het gebouw af te lezen. Weer en wind hadden aan de dunne huid van gele baksteen geknaagd. Ramen waren gebarsten, droegen nog troebel oorlogsglas. De glazen fabrieksdaken die voor het veelgeroemde licht in de bovenzalen moeten zorgen, hadden hun strakheid en vitaliteit verloren.

Ook innerlijk was het Gemeentemuseum aan lager wal geraakt. In de afgelopen decennia waren tentoonstellingen gehouden die het gebouw niet kon verdragen. Kunstwerken van letterlijk te groot formaat vroegen om steeds meeer muuroppervlakte. Zonder pardon verdween de met monumentale nissen zorgvuldig gearticuleerde zalen-architectuur achter onaandoenlijke voorzetwanden. Op dezelfde barbaarse manier verging het de gevarieerd ontworpen hoeken en plafondranden die alle tentoonstellingszalen juist van elkaar laten verschillen.

Massapubliek

Ramen werden weggetimmerd waar nog meer schilderijen moesten hangen of bepaalde installaties en videokunst geen daglicht konden velen. Tenslotte ontkwam ook het intieme, kwetsbare Gemeentemuseum niet aan de slopende zucht naar exposities voor een massapubliek. En dat alles terwijl de garderobe plaats bleef bieden aan maar honderdvijftig jassen.

Onder het directoraat van Rudi Fuchs werd in 1989 het Gemeentemuseum een half jaar gesloten voor een gedeeltelijke verbouwing. Op de plaats van het oorspronkelijke penningenkabinet en de muziekafdeling op de begane grond creërde architect Michiel Polak een aantal kleinere expositiezalen. De ingreep was de eerste fase van een meer fundamenteel herinrichtingsplan voor het Gemeentemuseum, maar zover is het toen niet gekomen. Zover kwam het wel in januari 1997. Het museum ging weer dicht, nu voor een renovatie die bijna twee jaar en 54 miljoen gulden zou vergen. Overigens een renovatie die de lichte ruimtes van Michiel Polak ongemoeid zou laten.

Als voorbereiding op het volgende millennium worden en werden vele musea uit de negentiende- en de eerste helft van de twintigste eeuw spectaculair uitgebreid, omgebouwd tot culturele warenhuizen, met vaak een complete gedaanteverwisseling als gevolg. Zo niet het Haagse Gemeentemuseum. De in 1935 geopende, laatste schepping van architect H.P. Berlage (1856-1934) is zoveel mogelijk in de oorspronkelijke staat teruggebracht. De uitbreiding ten behoeve van een kostuummuseum en een reusachtig nieuw depot heeft onder de grond gestalte gekregen. Deze toevoegingen laten de uiterlijke verschijningsvorm van het Gemeentemuseum onaangeroerd.

Het resultaat van de kostbaarste restauratie ooit in Nederland uitgevoerd, is uniek en aangenaam verwarrend. Geholpen door de beelden die een bouwplaats kenmerken - modderpoelen, zandbergen, verdwaalde stapels bakstenen, betonplaten, steigers en hoge, schots en scheefstaande hekken rondom - is het verleidelijk om even te fantaseren dat aan de Haagse Stadhouderslaan een gloednieuw museumgebouw is verrezen. Uit de verte oogt de lage, uit goudgeel baksteen opgetrokken compositie van kubistische vormen, bekroond met messcherpe glazen kappen, als een introvert architectonisch kunstwerk. De twee grote rechthoekige vijvers aan weerszijden van de kloosterachtige toegangspergola versterken het horizontale karakter van het ensemble dat zich uitstrekt in zeldzame rust en stilte. De vijvers wachten nog op hun lijsten van roodpaarse tegels en groen gras dat straks op z'n Toscaans met de gele steen zal contrasteren.

Dichterbij gekomen zijn het vooral de koperen dakranden, de gebronsde messing raamkozijnen en de fijnzinnig ontworpen metselweefsels, die de fantasie doen vervliegen. Het is juist de geschiedenis die aan dit ambachtelijk vervaardigd kunstwerk zijn aristocratie verleent. De kleur van de kopergroene goten, de horizontale lijn tussen dak en gevel, bindt alle delen van het gebouw samen. Het is de enige kleur die oud en jong tegelijk is.

Geconfronteerd met de nieuwbouw-fantasie zegt restauratie-architect Job Roos: “Het moest er juist niet als gloednieuw gaan uitzien. Het gebouw was smoezelig geworden. Wij hebben het gereinigd, maar ook weer niet teveel. Het is geen achttiende eeuws monument. De authentieke messing kozijnen zijn nauwelijks schoongemaakt. Van de koperen dakranden zijn alleen de teerresten verwijderd. Ruim twintig procent van het gebouw is nu gereconstrueerd. Met de vernieuwing van het totale glasdak is het oude beeld weer helemaal teruggebracht. En ook het 'oude' licht, want het was een onderdeel van de opgave om de oorspronkelijke lichtsfeer terug te brengen. Al het glas is vernieuwd. Het eerste glas was al in de oorlogsjaren verdwenen, het museum lag in het Sperrgebiet.”

Voor de gele baksteen die nodig was om de verdorde, mottige gevels te herstellen, heeft Roos gezocht naar dezelfde klei die in de jaren dertig voor de oorspronkelijke stenen is gebruikt. Deze kwam uit Limburg en bevatte verontreinigingen van löss die aan de kleur van de bakstenen allerlei mooie schakeringen gaf. Roos: “Met de hoge temperaturen waarmee tegenwoordig stenen worden gebakken, verdwijnen die verontreinigingen. Dus werkten wij met ouderwets lagere temperaturen. Eigenlijk hebben wij een soort archeologie bedreven. De groengrijze tegeltjes die onder andere in de trappenhuizen en de hal zijn te vinden, waren ten tijde van Berlage gevarieerd van kleur omdat het bakproces nog niet ideaal was. Voor nieuwe tegels moesten die varianten via een serie proeven worden bereikt.”

Idealisme

Dat in Den Haag is gekozen voor een zo compleet mogelijke terugkeer naar het museumgebouw uit 1935 betekent dat het ontwerp van Berlage, ook in museaal opzicht, nog steeds modern is. Eigenlijk moet worden gezegd: het gebouw van Berlage en H.E. van Gelder (1876-1960), de eerste directeur en bevlogen bouwheer van het Gemeentemuseum.

De cultuurhistorisch gepassioneerde Van Gelder was sinds 1912 directeur van de Gemeentelijke Dienst voor Kunsten en Wetenschappen in Den Haag en vroeg Berlage in 1919, op verzoek van de stad, een gemeentemuseum te ontwerpen. Net als Berlage was Van Gelder een hooggestemde socialist en hij beschouwde het museum als een ideaal instrument om de kunst naar het volk te brengen. Op een kunstenaarscongres in 1920 schetste hij de noodzaak van een museum in bewoordingen die tachtig jaar later verrassend actueel klinken: '...thans moeten wij rekening houden met de geheel materialistisch, geheel zakelijk gerichte geestesgesteldheid van het grootste deel der staatsburgers. En juist deze moeten door de kunstwerken tot een andere geesteshouding gebracht worden.'

Den Haag kende in deze jaren meer bevlogen geesten. Bijvoorbeeld de wethouder van openbare werken Jurriaan Kok. Deze voelde zich sterk aangesproken door de culturele opdracht die later op het reliëf in de hal van het Gemeentemuseum werd verbeeld. Het was niet alleen de taak van de stad om voor water te zorgen, voor telefoon en vuilafvoer, maar ook voor kunst. In 1918 betoogde Kok tijdens een raadszitting: 'Wil het geestelijk zowel kunstzinnig als wetenschappelijk leven in ons land verhoogd worden, dan moeten ook Gemeentebesturen niet achterblijven. De schoonheid behoort gemeen goed te zijn, wij daarentegen hebben dat een tijd lang verleerd en vergeten de band, die in vroeger eeuwen bestond tussen de overheid en de kunstenaars en kunstambachten.'

Tegen deze idealistische achtergrond schetste Berlage zijn eerste Haagse museumplan. Het ontwerp beperkte zich niet tot museale functies maar was met concertzalen, een congrescomplex en gemeenschapsruimten onder pantheonachtige koepels uitgegroeid tot een monumentale cultuurstad rond een vierhoekige vijver. Het plan was te ambitieus en kwam niet verder dan plattegronden, kleurtekeningen en een reusachtige maquette van gips die nog steeds bestaat. Ondanks de schaalvergroting waren de verschillende musea met 'keurverzamelingen' binnen het cultuurcentrum niet al te groot. Van Gelder en Berlage meenden dat 'een groot museum vermoeit in plaats van dat het verkwikt'.

In 1927 deed Van Gelder een voorstel aan de gemeenteraad dat uiteindelijk leidde tot de bouw van het Gemeentemuseum zoals wij dat nu kennen en dat aanstaande 28 oktober zal worden heropend. Berlage tekende een ingetogen gebouw dat vooral beducht was voor de gevreesde museummoeheid. Dit euvel kleefde aan vrijwel alle oude pronkzuchtige museumgebouwen, aan de Paleizen voor Schone Kunsten waar een dodelijke monotonie heerste door lange perspectieven en de opeenvolging van in elkaars verlengde liggende doorgangen. Berlage deed het anders. Hij groepeerde de zalen en de gangen met kabinetten rond een binnenhof zodat een afwisselend, circulair parcours ontstond. Naast de hoeken van de binnentuin legde hij vier ruime trappenhuizen, alweer met mooie hooggeplaatste ramen, die voor zo kort mogelijke loopafstanden zorgden. Speciaal ontworpen houten zitbanken en licht tilbare 'museumkrukjes' - nog steeds geliefd als bijzettafeltje - moesten de bezoekers opvangen die ondanks alle architectonische maatregelen toch nog aan de museummoeheid ten prooi vielen.

Met de nieuwe ondergrondse kostuumkelder, die inmiddels 'modegalerie' is gaan heten, is de oerindeling van het museum volgens de ordening van Van Gelder aangehouden. Directeur Hans Locher: “Van Gelder had een heldere filosofie voor het museum bedacht, overgoten met een sociaal sausje. De onderbouw op de begane grond was gewijd aan het dagelijks leven. Dat wil zeggen aan de consumptie en de kunsten van het vuur, de kunstnijverheid: tegels, borden, kommen, koppen, schotels. De bovenbouw was bestemd voor het hogere, de schilderkunst. Toen de collectie muziekinstrumenten erbij kwam werd deze als een soort brug tussen de boven- en onderbouw geschoven. Een basis voor de hogere kunst. Met de nieuwe kostuumkelder is er een superonderbouw bijgekomen: de wereld van het lichaam, de mode. Zo hebben wij de overzichtelijke ideologie van Van Gelder en Berlage gehandhaafd.”

De grootste ontdekking die de opgraving van het originele museumgebouw uit 1935 aan het licht heeft gebracht is dat de architectuur ervan in geen enkel opzicht een gedateerde indruk maakt. Berlage vermeed in zijn bouwkunst 'alle architectonische onderdelen van parasitaire aard' zoals hij het zelf zei. Zelfs zijn grote dromen op het gebied van de bouwkunst waren streng en 'zakelijk organisch'. Modieusiteiten, l'art pour l'art, het was hem allemaal een gruwel. Daarom zal het oude Haagse museumgebouw altijd nieuw en modern blijven zolang de oorspronkelijke staat die het nu weer heeft bereikt, tot in de details en tot in de onverwacht vele kleuren wordt gerespecteerd. Het is dit Museum as Idealism dat bij het Amerikaanse echtpaar Newhouse de doorslag schijnt te hebben gegeven om Mondriaan's Victoria Boogie Woogie aan Nederland te verkopen. Victoria Newhouse is architectuurhistoricus, kent de meeste musea ter wereld, heeft net het boek Towards a new museum geschreven en is een groot bewonderaar van het gebouw van Berlage.

Visuele schade

Maar wij zijn er nog niet. Bij de oorspronkelijke staat van het museumgebouw hoort ook de ligging in de directe omgeving. Dat betekent dat een tweede restauratie-ronde noodzakelijk is. Gelukkig is in de eerste fase de overdekte loopbrug afgebroken die het Berlage gebouw verbond met de naburig gelegen museumvleugel van de architect S. Schamhart uit 1962. De verbinding liep via de stijlkamers in de noordwestelijke hoek van museum en richtte hier veel visuele schade aan. Deze is nu hersteld. De Schamhartvleugel krijgt een eigen ingang en wordt bestemd voor de hedendaagse kunst, de grote formaten, de installaties en de videokunst, kortom de kunst die er mede voor heeft gezorgd dat het gebouw van Berlage in verval raakte.

De koppeling met het Museon zal minder makkelijk ongedaan kunnen worden gemaakt. Dit bloedeloze gebouwencomplex, in de jaren tachtig ontworpen door Wim Quist, dringt met veel geweld het Gemeentemuseum binnen, nota bene in de magistrale hal pal onder het reliëf dat de stad wijst op zijn culturele verantwoordelijkheden. Het valt niet goed te begrijpen hoe een ontwerper die zo'n subtiel kleinood kan maken als het Scheveningse museum Beelden aan zee, tevens zo'n oppervlakkig, met misverstanden overladen gebouw in het leven kan roepen. De plaats, kleur en formaat baksteen - geel à la Berlage! - lompe verhoudingen, te dikke zwarte stijlen, mechanisch metselwerk, het zijn stuk voor stuk bêtises. Ook het Museon heeft nu een eigen ingang gekregen, maar het zal desalniettemin heel stevig aan het Gemeentemuseum verankerd blijven.

Niet in de letterlijke zin is dat ook het geval met Hotel Bel Air in de achtertuin van het museum. Deze veel te hoge, koude kolos staat hier dermate opdringerig in de bosjes dat hij niet meer van het beeld van het Gemeentemuseum is los te maken. In de tweede restauratiefase zullen Museon en Bel Air Hotel uit het gezichtsveld van het museum moeten verdwijnen. Om te beginnen omdat zij het aanzien niet waard zijn en verder om het Gemeentemuseum enigszins de visuele vrijheid terug te geven waarmee het gebouw in 1935 werd omringd.

Aan de vierde zijde van het museumterrein, de Stadhouderslaan, lijken geen esthetische bedreigingen op de loer te liggen. Integendeel, de Johan de Witt School, een enorm gebouw in trouwhartige Hollandse renaissancestijl (1902, architect A. Schadeé), komt binnen afzienbare tijd leeg te staan en het is hoogst waarschijnlijk dat het schoolgebouw bij het Gemeentemuseum zal worden betrokken. Hans Locher: “Dan ontstaat op deze plek in Den Haag toch iets van een cultuurcentrum zoals Berlage en Van Gelder dat met het eerste museumplan in 1919 voor ogen hadden.”