Geen nieuws uit Ulverton

Adam Thorpe: Pieces of Light. Jonathan Cape, 479 blz. ƒ 48,95 (geb.)

Toen de dichter Adam Thorpe in 1990 debuteerde met Ulverton leek hij meteen een meester. Zijn uitbeelding in twaalf taferelen van een Zuid-Engels dorpje tussen 1650 en 1988 was op zoveel punten springlevend, dat de meeste lezers geen behoefte voelden om te kibbelen over een paar gebreken.

Zijn reputatie slonk met zijn tweede roman, Still (1995), waarin een filmregisseur terugkijkt op zijn loopbaan. Dat was een langdradig boek waarin te weinig omging. Nu heeft Thorpe weer zo'n kloeke roman gepubliceerd, en deze keer zou kunnen worden gezegd dat er te veel in omgaat.

De hoofdpersoon is hier een toneelregisseur, Hugh Arkwright, die beweert dat hij een heel bijzondere stijl van Shakespeare-productie heeft ontwikkeld, zonder daar veel over te vertellen. Hij is in de vroege jaren twintig geboren in Kameroen, waar zijn vader koloniaal ambtenaar was. In de eerste twee hoofdstukken van de roman herinnert hij zich zijn jeugd in de jungle, en van zijn zevende jaar af in Engeland, waar hij onder de hoede is geplaatst van een oom in Ulverton. Daar hoort hij op zijn tiende dat zijn moeder in Afrika uit haar huis is verdwenen en waarschijnlijk is omgekomen.

De volgende zestig jaar van zijn leven slaat Arkwright over. In hoofdstuk drie vertelt hij in dagboekvorm hoe het hem vergaat als hij op zijn zeventigste terugkeert naar het dorp waar hij het huis van de oom heeft geërfd. Dit is de voorbereiding op het vierde deel, dat tegelijk het meest intense en vindingrijke en het meest overladen en betwistbare van het boek is, in de onwaarschijnlijke vorm van brieven aan zijn moeder. Een oude heer die zich tot zijn zestig jaar geleden verdwenen moeder richt en haar probeert uit te leggen hoe hij de inhoud van zijn leven ziet: zullen er lezers zijn die zich dat kunnen indenken? Zij moeten erbij overwegen dat hij enigszins in de war is en in het oog gehouden wordt door een psychiater; ook dat zijn intelligentie levenslang gekleurd en verhit is gebleven door Afrikaanse magische denkbeelden, waarvan hij de equivalenten in Engeland meent te kunnen terugvinden. Er zullen mensen bestaan die zich in hem kunnen verplaatsen; en sommigen die hem aanvaarden omdat zij door Thorpes taalvirtuositeit worden gewonnen.

Anderen zullen op een afstand blijven en hoofdschuddend aanhoren hoe deze loving son steeds weer tegen zijn dearest mother van zestig jaar geleden praat. Wat wij in ons prille enthousiasme voor Ulverton waarschijnlijk onvoldoende beseft hadden, is dat Thorpe meer een taal-en-beeld man is dan een verhaal-en-karakter man. Wie de personen van Pieces of Light probeert op te roepen merkt dat er geen een is die een levende gedaante aanneemt; en aan de beschrijving van het dorp dat wij acht jaar geleden hebben leren kennen wordt niets toegevoegd.

Daarmee is een prozawerk niet veroordeeld. Het kan andere ambities heben dan het vertellen van een verhaal over herkenbare en althans denkbare personen. Alleen is het dan beter als het zich niet tegelijkertijd van romanmotieven bedient die onuitgewerkt blijven: een hoofdpersoon met een Amerikaanse obsessie, een verloren moeder, een verraderlijke oom, een liefde die verloren gaat en niet uit het zicht raakt.

Misschien zou Thorpe betogen dat hij zijn romanmotieven zover heeft uitgewerkt als hij nodig vond, en dat het verkeerd zou zijn geweest om er verder mee te gaan. Dan zijn wij het oneens en kunnen wij het beter hebben over de sterke verhalende passages in zijn werk: een vlucht in een bommenwerper naar Hamburg in de Tweede Wereldoorlog, fragmenten van Arkwrights jeugdliefde voordat het meisje hem in de steek laat, een wandeling van zijn moeder in het hoge oerwoud. De lezer die zich die dingen herinnert, hoeft maar een voorbijgaande ergernis over ondoorzichtige passages te overwinnen om alweer uit te zien naar Thorpe's vierde roman.