Fotoinstituut toont de toenemende verstedelijking van Nederland; Landschapsfoto's met de opgeheven vinger

Over de kou op IJsland, Spitsbergen en La Palma laten de 24 landschapsfoto's van Anja de Jong geen twijfel bestaan. Je leest het af aan de kraakheldere toon en het desolate diepe zwart-wit van haar afdrukken, die onder de titel Borderland zijn te zien in de nieuwe kleine zaal van het verbouwde Nederlands Foto Instituut (NFI) in Rotterdam.

Het zijn foto's die in hun precisie recht doen aan de weerbarstige eenzaamheid van haar landschappen. Maar ook die foto's zelf zijn een beetje eenzaam. Tenslotte kent de landschapsfotografie in Nederland maar weinig beoefenaars. Misschien komt dit doordat Nederland zo weinig als natuurlijk ervaren landschap heeft, misschien doordat landschap hier vooral iets is om naar onze hand te zetten. Al zou het evengoed aan de fotografie zélf kunnen liggen die in Nederland traditioneel nu eenmaal een sterk functioneel karakter kent. Fotografie is hier journalistiek, documentair, reclame: bruikbaarheid staat voorop.

Het zou kunnen verklaren waarom de vorm van landschapsfotografie die in Nederland sinds het begin van de jaren negentig wél opgeld heeft gedaan, zich juist richt op het stedelijke landschap. Op die foto's staan immers zaken waar we 'iets aan hebben'. Ze gaan over een probleem - uitdijende steden, beton en asfalt, gebrek aan ruimte. Zaken dus waar we uit onze Hollandse maakbaarheidsbehoefte iets aan willen doen.

Suburban Options heet de tentoonstelling waarin het NFI in de nieuwe grote zaal negen Nederlandse en tien buitenlandse landschapsfotografieprojecten bijeen heeft gebracht. Dat het daarbij op een enkele uitzondering na gaat om fotografie gemaakt in het kader van (overheids)opdrachten, hoeft gezien die nutsgedachte niet te verbazen.

Uitgangspunt voor de tentoonstelling vormde het in 1993 door de Rijks Planologische Dienst geïnitieerde Vinex-project, waarvoor Paul den Hollander, Oscar van Alphen, Hans Werleman en Martin van den Oever de locaties fotografeerden die volgens de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening (VINEX) in de komende decennnia de grootste verandering zullen ondergaan. Het project is bedoeld om 'discussie op gang te brengen' over de gevolgen van de toenemende verstedelijking en dat is aan de bijdragen duidelijk af te lezen. Den Hollander bijvoorbeeld toont twaalf panelen waarop telkens weer naar hartelust wordt platgewalst, opgespoten en beton gestort, Van Alphen laat (in een videofilm) zijn 'onvoorstelbare' computergemanipuleerde landschappelijke constructies (zoals een blauw fietserstunneltje in bruine akker) zien waarmee hij zegt de kijker vooral bewust te willen maken van 'het fenomeen ingreep'.

De Vinex-thematiek wordt uitgewerkt in nog eens acht andere projecten, uiteenlopend van series over de achterkant-uitzichten van Amsterdamse woningen (Nico Bick, 1995) en de veranderingen in Hoofddorp (Theo Baart, sinds 1977) tot de cd-rom waarmee Theo Bos de kijker in staat stelt zelf een stedenbouwkundige invulling te geven aan een voormalig kazerneterrein in Utrecht (The Perfect Picture, 1997). En dan zijn er de buitenlandse projecten uit Frankrijk, België, Italië, Engeland en Zweden, waarbij naast enkele foto's vooral de boeken worden getoond die ze hebben opgeleverd. Ze bevatten mooie foto's van mooie landschappen en, omdat ook dat kan, mooie foto's van lelijke landschappen. Alleen lelijke foto's zijn er niet. Wel, heel soms, verrassende foto's, zoals de eenvoudige portretten die George Garland in de jaren veertig en vijftig maakte in West Sussex en die nu verzeild zijn geraakt in een documentaire over de veranderingen als gevolg van de Kanaaltunnel.

Bij ieder project is te lezen waar, waarvan en wanneer de foto's gemaakt zijn, wie de opdrachtgever en wat de bedoeling was. Het hoort allemaal bij de inventarisatie die Suburban Options is. Op dit punt is de tentoonstelling overtuigend, al wordt de centrale vraag ('Welke fotografische bijdrage kan leiden tot verdieping van onze opvattingen; welke visuele analyse leidt tot meer inzichten?', aldus de catalogus) er niet echt mee beantwoord.

Datzelfde geldt voor een vraag die zich bij het zien van de Nederlandse bijdragen gaandeweg opdringt: waarom ziet die nieuwe stedelijke landschapsfotografie er toch zo uniform uit? Of het nu gaat om de Vinex-foto's, de reconstructie van het Zaaneiland (Anne Bousema) of 'het landschap als drager van cultuur en geschiedenis' (Korrie Besems), telkens weer is het kappen, afgraven en platwalsen. En wat in het voetspoor van de bulldozer verschijnt oogt onveranderlijk kil en onherbergzaam.

Bewondering voor zijn eigen landschap is de Nederlandse fotograaf overduidelijk vreemd. Evenals distantie, want ook humor of ironie zijn in de meeste foto's ver te zoeken. De moderne stadslandschap-foto is een foto met een opgeheven vingertje, manend tot bezinning. Niet dat die oproep per se onterecht is - wat opvalt is dat iedereen vooral zo hetzelfde roept. Daarin doet de landschapsfotografie van nu opvallend denken aan de sociale fotografie van de jaren zeventig, inclusief het gebruik van een handzame tegenstelling ter verpakking van de boodschap - toen die tussen arbeider en baas, nu die tussen boom en beton.