Europa in de twintigste eeuw; Een wonderbaarlijke wedergeboorte

Mark Mazower: Dark Continent: Europe's Twentieth Century. Allen Lane, 496 blz. ƒ 67,25

Tot 1 januari 2000 hebben we nog maar een jaar te gaan, maar het historische debat over het karakter van de twintigste eeuw woedt al sinds 1983. Dat jaar publiceerde de Brit Paul Johnson zijn A History of the Modern World. From 1917 to the 1980s, een onverholen liefdesverklaring aan de democratisch-kapitalistische wereld die in 1945 het nationaal-socialisme had verslagen en naar de profetisch gebleken waarneming van deze auteur in de jaren tachtig bezig was het communisme op de knieën te krijgen.

Johnsons boek kreeg een ideologische tegenpool toen in 1994 The Age of Extremes verscheen, waarin Johnsons landgenoot Eric Hobsbawm weliswaar moest erkennen dat het communistische systeem ten onder was gegaan, maar vasthield aan zijn marxistische overtuiging dat het kapitalisme, waarmee de Sovjet-Unie sinds 1917 een ongelijke strijd had gevoerd, in de toekomst aan zijn eigen interne contradicties zou bezwijken.

Dat vooral in Groot-Brittannië historici de durf hebben grote thema's met uitgesproken opvattingen te lijf te gaan (ook het in 1996 verschenen Europe. A History van Norman Davies is daarvan een voorbeeld), wordt bevestigd door Dark Continent: Europe's Twentieth Century van Mark Mazower. Deze jonge historicus, verbonden aan de Universiteit van Sussex, schrijft minder virtuoos dan de bevoorrechte stilisten Johnson en Hobsbawm, maar compenseert zijn af en toe wat schoolse stijl met kwaliteiten die deze twee gedreven ideologen missen. Mazower is genuanceerd zonder saai te worden, heeft meer oog voor de complexe paradoxen van de Europese geschiedenis en mist de behoefte zijn overtuiging aan de lezer op te dringen.

Euforie

Mazower keert zich in zijn inleiding tegen de opvatting van Hobsbawm dat fascisme en nationaal-socialisme varianten waren van een destructief kapitalisme. Politieke ideeën, zo stelt de schrijver van Dark Continent in navolging van Raymond Aron, zijn veel meer dan een reflectie van economisch-materiële belangen en moeten serieus worden genomen. Politiek gedrag wordt in hoge mate beïnvloed door gepassioneerde denkbeelden over hoe de dingen wel en niet moeten.

Europa was in de twintigste eeuw het strijdtoneel van drie politieke ideologieën: democratie, fascisme en communisme. Maar Mazower waarschuwt tegen de door triomfalisme geïnspireerde denkfout van Johnson, die het verleden interpreteert vanuit een heden waarin liberalisme en democratie een schijnbaar onvermijdelijke triomf hebben behaald. De victorie was volgens Mazower niet meer dan het resultaat van een historisch proces dat dankzij toevallige omstandigheden en ingrijpen van buitenaf mogelijk bleek te zijn, maar zeker niet logisch aansloot bij een lange Europese traditie.

Evenals Johnson en Hobsbawm gaat Mazower uit van een 'korte' twintigste eew, die in 1914 begon met de Eerste Wereldoorlog. Europa werd uit zijn vertrouwde maatschappelijke voegen getild, maar de schrijver van Dark Continent wijst terecht op de paradox dat in 1919 groot optimisme heerste over de toekomstkansen van de toen in veel naties zojuist gestichte democratie. Die euforie duurde kort. Nauwelijks twintig jaar later was het democratische stelsel òf verdwenen (eerst in Italië, vervolgens in onder meer Hongarije, Polen en Duitsland) òf het stond machteloos tegenover de grote binnenlandse en buitenlandse problemen van werkloosheid en nazistische dreiging (in Frankrijk en Noord-West Europa).

In navolging van Ernst Nolte typeert Mazower het interbellum als de periode van de 'Europese burgeroorlog', maar anders dan de omstreden Duitse historicus verwijst de Britse auteur met deze term niet naar de strijd tussen communisme en nationaal-socialisme, maar naar het conflict tussen de democratie en deze twee extremistische ideologieën. Hij beklemtoont dat het antidemocratische kapitalisme met een sociaal gezicht, in Duitsland propagandistisch opgetooid tot de nationaal-socialistische Volksgemeinschaft, in de jaren dertig op brede instemming kon bogen. Hitler kreeg zoveel steun omdat hij zoveel succes had. De werkloosheid, die bij zijn aantreden vijfeneenhalf miljoen mensen trof, was zes jaar later vrijwel verdwenen. Het gros van de bevolking, voorzover niet in de ban van het nazistische idealisme, had vrede met zijn bewind en keek bij de vervolging van de joodse minderheid de andere kant op.

De prestaties van de democratische naties waren in vergelijking bedroevend. Democratie werd vereenzelvigd met werkloosheid en armoede. Vooral politieke partijen moesten het ontgelden, als de aanstichters van een verdeeldheid die tot interne malaise en gebrek aan daadkracht in de buitenlandse politiek leidde.

Mensenverachting

Tegelijkertijd, zo betoogt Mazower in een verrassende wending, werd Hitler verantwoordelijk voor een verbazingwekkende rehabilitatie van de democratie. 'Hitler's Lost Opportunity', noemt hij de kans die deze lange tijd in veler ogen succesvolle leider liet liggen om politiek kapitaal te slaan uit de aanhang die gedurende de jaren dertig in geheel Europa was gegroeid voor een antidemocratische ordening die rekening hield met sociale noden. Meegesleept door zijn racistische en op expansie gerichte ideologie richtte hij een orgie van mensenverachting en destructiedrift aan, die tot een herwaardering leidde van de democratie als bastion van menselijke waardigheid.

De Tweede Wereldoorlog eiste in totaal ruim veertig miljoen doden, terwijl tussen 1939 en 1948 vijftig miljoen mensen van huis en haard werden verdreven. Europa was uitgeput, maar de democratie was dankzij Hitler in ere hersteld. Toch kan ook volgens Mazower de wonderbaarlijke herleving van het democratische stelsel in West-Europa na 1945, niet alleen worden toegeschreven aan een morele reactie op de ervaringen met het nationaal-socialisme. Over een breed politiek spectrum was na de ellendige jaren dertig het besef doorgedrongen dat de democratie alleen kon overleven op basis van een actief-sociale politiek die ook de minder bedeelden vrede gaf met de bestaande verhoudingen.

Die politiek kon alleen gestalte krijgen dankzij de economische voorspoed die in de periode van 1950 tot 1970 een enorme inkomensgroei èn de opbouw van de verzorgingsstaat mogelijk maakte. Mazower schrijft deze ontwikkeling toe aan een combinatie van wijs industrialisatiebeleid, brede consensus over de noodzaak van sociale voorzieningen en stabiele politieke instituties. Democratische geestdrift leidde in 1919 in menig land tot de fout het parlement zulke uitgebreide bevoegheden te geven dat de uitvoerende macht tot gebrek aan slagvaardigheid werd veroordeeld. De in 1949 opgerichte Bondsrepubliek Duitsland kon in de jaren vijftig de economische motor van West-Europa worden, mede doordat de krachteloze Weimar-democratie werd vervangen door een Kanzlerdemokratie die de bondskanselier grote bevoegdheden gaf en het wegsturen van de regering alleen mogelijk maakte indien er een andere klaar stond om haar plaats in te nemen.

Maar de belangrijkste stut van deze voorspoed was volgens Mazower de Amerikaanse betrokkenheid en bemoeienis. De Verenigde Staten gaven de democratie in Europa niet alleen beslissende steun in de strijd tegen Hitler, maar bevorderden na 1945 ook, te beginnen met de Marshallhulp, de West-Europese samenwerking en de internationale handel, die een belangrijke stimulans voor de economische groei waren. Bovendien, en volgens Mazower was dat het allerbelangrijkste, beschermde Washington West-Europa tegen een Sovjet-communisme dat greep op Oost-Europa had gekregen.

Politieke moord

Ook dit dictatoriale systeem, aldus een van de schijnbaar vanzelfsprekende maar juist daardoor gemakkelijk vergeten feiten die Mazower in herinnering brengt, was een vrucht van het Europese erfgoed. Niet de minsten onder Europa's intellectuelen lieten zich na 1917, tot in de jaren zeventig toe, verleiden door een ideologie die de afschaffing van de democratie predikte en de alleenheerschappij van de partij met politieke moord en onderdrukking afdwong.

Mazower vergist zich overigens met zijn bewering dat vóór de Tweede Wereldoorlog het communisme buiten het grondgebied van de Sovjet-Unie genoegen moest nemen met een rol 'in de marge van de politiek'. In Duitsland had de KPD wel degelijke een grote, zij het negatieve invloed door de sociaal-democraten (gebrandmerkt als 'sociaal-fascisten') als bondgenoot tegen Hitler af te wijzen. Ook trok deze partij begin jaren dertig in stakingen zij aan zij met de nationaal-socialisten op, met het doel de Weimar-democratie om zeep te brengen en in de ijdele hoop zelf daarvan te kunnen profiteren.

Toen de Sovjet-Unie na 1945 in het verlengde van de militaire opmars tegen Hitler aan de Oost-Europese naties een communistisch systeem kon opleggen, was in de betrokken landen van effectief verzet nauwelijks sprake. Gedurende een periode van veertig jaar waren de opstanden tegen dit systeem op de vingers van één hand te tellen en Mazower signaleert droogjes dat bij die gelegenheden de hulp uit het democratische West-Europa nihil was. Integendeel, vooral in de Bondsrepubliek werden de Poolse opstandelingen die begin jaren tachtig streden voor vrijheid en democratie, als onverantwoordelijke desperado's afgeschilderd die de vrede en ontspanning tussen Oost en West in gevaar brachten. Bekommernis om de democratie in het andere deel van Europa stond in West-Europa laag op de politieke rangorde.

Het Sovjet-rijk, dat eind jaren tachtig werd ontmanteld als onbedoeld gevolg van maatregelen die de partijleiding in Moskou - Gorbatsjov - zelf nam, was volgens Mazower een anachronisme. In een originele analyse plaatst hij dit imperium in de traditie van een Europees kolonialisme dat na de Tweede Wereldoorlog aan zijn einde kwam, juist in de periode dat de Sovjet-Unie greep kreeg op Oost-Europa. Maar na verloop van decennia bleek ook de communistische expansiezucht steeds minder te lonen en steeds zwaardere lasten op te roepen, financieel-economisch maar ook politiek: het werd almaar moeilijker Oost-Europese staten onder controle te houden.

Het Sovjetrijk, zo concludeert Mazower met een verfrissende variant op de beroemde these van Lenin, vertegenwoordigde de laatste fase van het Europese imperialisme.

Werkloosheid en armoede

Waar staan we nu, aan het einde van de twintigste eeuw, in Europa? Al sinds de jaren zeventig is de verzorgingsstaat op z'n retour, zijn werkloosheid en armoede teruggekeerd op een schaal die vijfentwintig jaar geleden nog ondenkbaar was. Criminaliteit en drugsgebruik woekeren voort zonder dat iemand een idee heeft wat er tegen te doen is. Toch is van dreigende politieke onrust in West-Europa, en ook in Midden-Europa, geen sprake.

Een essentieel verschil met de vooroorlogse periode is volgens Mazower dat een visie ontbreekt op een 'nieuwe orde' die een 'totale' oplossing belooft van de problemen. Er is geen geloof meer in een ideologisch geïnspireerde vooruitgang, de apathie heeft toegeslagen, maar die toestand heeft zowel voor- als nadelen.

In de buitenlandse politiek bestond het grootste nadeel van dit gebrek aan elan uit de recente passiviteit waarmee Europa reageerde op de slachtpartij in Bosnië. Wederom moesten de Verenigde Staten tussenbeide komen om het Europese huis op orde te brengen. Maar Mazower wijst terecht op de keerzijde van de Europese indolentie: ruim tachtig jaar geleden was een Balkanconflict voor de belangrijkste Europese mogendheden aanleiding om elkaar naar de strot te vliegen.

De energie om militair te interveniëren is weggevloeid, zoals er in de binnenlandse verhoudingen geen behoefte meer is om een democratie die grote gebreken kent, maar over het algemeen voor de meeste burgers redelijk werkt, te vervangen door een ordening die is geïnspireerd door een visionaire ideologie. Iedereen die na de ervaringen van de twintigste eeuw aan het eind van de jaren negentig nog snakt naar een grootse visie, zo citeert Mazower de voormalige Oostenrijkse kanselier Vranitzky, moet naar de dokter.