De status van de schilder

Chris Stolwijk: Uit de schilderswereld. Nederlandse kunstschilders in de tweede helft van de negentiende eeuw. Primavera Pers. 416 blz. ƒ 75,-

Een van de aantrekkelijke kanten van kunsthistorisch onderzoek naar de negentiende of twintigste eeuw is de rijkdom aan schriftelijke getuigenissen. Relatief gemakkelijk toegankelijke bronnen als kranten en tijdschriften, maar ook briefwisselingen, vormen dankbare bronnen. Niet alleen is er uit de recente geschiedenis veel meer van dergelijk materiaal overgeleverd dan uit middeleeuwen of renaissance, maar ook manifesteert zich in die periode op grote schaal een kunstkritiek die gedetailleerd inlicht, en vaak een duidelijke mening laat horen over leven en werk van kunstenaars.

Van dergelijke bronnen heeft Chris Stolwijk, in zijn boek over de sociaal-economische situatie in de Nederlandse schilderkunst van de late negentiende eeuw, dan ook enthousiast gebruik gemaakt. Als een verslaggever 'uit de schilderswereld' - zoals de titel van het boek, niet voor niets ontleend aan die van een rubriek in zo'n negentiende-eeuws tijdschrift, luidt - laat hij schilders en hun tijdgenoten uitvoerig aan het woord.

Dat levert informatieve en soms fascinerende lectuur op. Zo haalt hij een brief van de schilder Johan Thorn Prikker aan in een paragraaf over neveninkomsten van kunstenaars: 'Ik heb tegenwoordig een agentschap in revolvers [...]. Zeg voor alles je mag het aan geen mensch zeggen hoor, aan niemand want het is buiten den handel.' Ietwat raadselachtig kunnen die negentiende-eeuwse uitspraken ook zijn, zoals in een passage uit een brief waarin de kunsthandelaar H.G. Tersteeg de schilder J.A. Neuhuijs bedankt voor een werk dat deze aan een veiling had bijgedragen: 'zoo'n aquarel spijkert bij!'

Stolwijks boek, de handelseditie van zijn Utrechtse proefschrift, is daarmee een onderhoudende publicatie. De studie sluit aan bij sociaal- en economisch-historisch onderzoek zoals dat in de afgelopen decennia is gedaan voor de zestiende en zeventiende eeuw. Voor de eerste helft van de negentiende eeuw heeft onlangs Annemieke Hoogenboom in haar boek De stand des kunstenaars vergelijkbare vragen bestudeerd. Stolwijks boek vormt daar zowel een chronologisch vervolg op, als een methodische voortzetting van: geconcentreerd op de nog nauwelijks systematisch op deze wijze bestudeerde tweede helft van de eeuw, volgt het voor een groot deel de opzet en uitwerking van Hoogenboom.

In het eerste deel van zijn studie beschrijft Stolwijk de verschillende visies van negentiende-eeuwse critici op de rol van de kunstenaar en de steeds verder afnemende overheidsbemoeienis met de beeldende kunst. De bevordering van eigentijdse kunst blijkt daarna vooral in handen te zijn geweest van particuliere verzamelaars en kunstenaarsverenigingen, die in de negentiende eeuw tot op zekere hoogte de rol van de aloude schildersgilden van Sint-Lucas overnamen: Arti et Amicitiae in Amsterdam, Pulchri Studio in Den Haag, of genootschappen die zich op specifieke kunstvormen richtten, zoals de Hollandsche Teeken-Maatschappij en de Nederlandsche Etsclub. De markt voor eigentijdse kunst, zo laat Stolwijk zien in deel twee, speelde zich voor een belangrijk deel af op mastodontische 'Tentoonstellingen van Levende Meesters' die naar model van de Parijse Salons regelmatig werden gehouden. Daarnaast organiseerden de kunstenaarsverenigingen eigen verkooptentoonstellingen van werk van hun leden. En ook de kunsthandel ging in deze periode een steeds belangrijkere rol spelen in een nieuw distributiesysteem van eigentijdse kunst. In deel drie komen de kunstenaars zelf weer aan de orde, maar nu staan hun financiële situatie en hun sociale positie centraal.

De auteur heeft de behandeling van de afzonderlijke deelproblemen met veel acribie ter hand genomen, waarbij de tekst niet steeds vrij is van wijdlopigheid en herhalingen. De kracht van het boek ligt vooral in het exposé, de uitvoerige en overzichtelijke beschrijving van alle denkbare aspecten van de aangesneden thema's. Het hoofdstuk over de 'Tentoonstellingen van Levende Meesters' bijvoorbeeld, behandelt de deelnemende schilders, en tendensen in de thematiek van de ingezonden werken - waarin genrestukken en landschappen blijken te prevaleren boven traditioneel veel hoger aangeslagen historiestukken. Maar ook de organisatie, het publiek, de kopers en de prijsontwikkeling krijgen aandacht.

Nadat alles is behandeld, ontbreekt een echte conclusie: de Slotbeschouwing van het boek, is meer een samenvatting van het voorgaande dan een omvattende synthese. Misschien is die ook wel onmogelijk te geven. Waar het de negentiende-eeuwse visie op de rol van schilderkunst en de status en positie van kunstenaars betreft, blijken de ontwikkelingen bijvoorbeeld bijzonder heterogeen te zijn. Naast idealisten die voor kunstenaars een opvoedende rol zagen weggelegd of die, zoals Roland Holst en Derkinderen, 'gemeenschapskunst' nastreefden, waren er schilders die zich ongegeneerd richtten naar de wensen en eisen van de kunstmarkt.

In deze gedeelten doet zich, paradoxaal genoeg, de relativiteit van het vele citeren uit kritieken en ego-documenten voelen. Weliswaar wordt het betoog erdoor verlevendigd, maar tot een samenhangend beeld leiden al die aanhalingen meestal niet. De auteur is zich daarvan ook bewust. Waar hij de economische positie van kunstenaars onder de loep neemt, haalt Stolwijk veel door kunstenaars opgetekende uitspraken over hun financiële situatie aan - zoals die van Thorn Prikker over diens illegale wapenhandel - om te concluderen dat al die uitspraken 'slechts een summier beeld' opleveren.

Pas de daarop volgende analyse van gegevens uit de Kohieren van de Hoofdelijke Omslag, waarin schattingen van de hoogte van het inkomen zijn te vinden, en uit het Kadaster, dat de huurwaarden geeft van onroerend goed, leidt tot generaliserender uitspraken over de welstand van een behoorlijk aantal schilders in Den Haag en Amsterdam. De inkomensverschillen tussen schilders onderling blijken groot te zijn geweest. Jaarinkomens liepen uiteen van zo'n 400 tot meer dan 2000 gulden, terwijl enkele grootverdieners als Mesdag en Jozef Israëls zelfs bijna het tienvoudige daarvan binnenbrachten. Maar in het algemeen blijkt uit deze gegevens dat de schilders-beroepsgroep als geheel in de loop van de onderzochte periode gestaag meer ging verdienen en schilders steeds meer gingen behoren tot de kringen van de gegoede burgerij. Harde cijfers blijken zich toch gemakkelijker op objectieve wijze te laten verwerken dan de soms zeer uiteenlopende berichten die tot ons zijn gekomen uit de negentiende-eeuwse schilderswereld.