De aanleg van ons platteland

J.A. Hendrikx: De ontginning van Nederland. Het ontstaan van de agrarische cultuurlandschappen in Nederland. Matrijs, 200 blz. ƒ 49,95

Het Nederlandse landschap tekent zich vanuit de lucht scherp af dankzij de regelmaat en door de dichtheid van vormen en structuren die aan de ruimte zijn opgelegd. Buiten de duinen en het Veluwegebied zijn er amper meer uitgestrekte, niet in cultuur genomen terreinen te vinden. Een opgeruimd landschap vol rechte wegen en wateren, vlakke akkers en droogmakerijen en alles gelardeerd met scherp bemeten steden en dorpen, reikt van horizon tot horizon. Toch zijn er binnen die vormen en structuren patronen herkenbaar, die vooral duidelijk worden wanneer verschillende structuren direct aan elkaar grenzen.

Beter, maar ook gemakkelijker dan vanuit de lucht, is dat te zien door enige kaartbladen van een topografische atlas (het liefst met een schaal van 1:50.000) te vergelijken. Zo is het contrast tussen bladen van Noord-Groningen en van de omgeving van Gouda enorm, hoewel beide gebieden worden gekenmerkt door openheid en ze in het veld toch tamelijk op elkaar lijken.

Verschillende ontginningswijzen in de Middeleeuwen vormen de voornaamste verklaring voor het huidige contrast. Zo kwam het kleilandschap van Groningen tot ontwikkeling door kolonisatie van een met kreken doorsneden kweldergebied via het opwerpen van terpen en het uitdiepen en verbinden van de kreken. Het resultaat was een onregelmatig verkavelingspatroon dat tot een 'craquelé' kaartbeeld leidde. Bij Gouda vond de ontginning van de veen- en kleigronden plaats door het graven van honderden evenwijdige slootjes, wat meebracht dat daar een regelmatig verkavelingspatroon ontstond. Het resulterende, zeer rustige kaartbeeld wordt hier verder bepaald door het geometrische patroon van de rationele verkaveling in de Zuidplaspolder, een droogmakerij uit de eerste helft van de negentiende eeuw.

In De ontginning van Nederland bespreekt landschapsarchitect en bosbouwkundige Hendrikx vele facetten van het eeuwenlange proces van 'aanleg' van het platteland. Hij volgt hierbij de ontwikkelingen eerst systematisch vanuit actoren, of vanuit wat hij noemt, 'vormende maatschappelijke krachten'. Zo bracht de Middeleeuwse hofhorigheid een heel ander - kleinschaliger - landschap tot stand dan de moderne landinrichting, die lange tijd zonder enige consideratie vroegere structuren uitwiste. Vervolgens gaat Hendrikx over tot bespreking van de feitelijke ontwikkelingen, toegelicht aan de hand van vele voorbeelden en kaarten. Zo komt een korte beschrijving voor van een experiment tot duinexploitatie ten westen van Haarlem. In 1795 werd in het gebied Middenduin een collectieve ontginning gestart met het doel daar akkerbouw en veeteelt te gaan bedrijven. Het experiment mislukte en van de beoogde 525 ha werd slechts 25 ha gerealiseerd. Wat Hendrikx niet vermeldt, is dat in hetzelfde gebied, in samenhang met de aanleg van de spoorweg naar Zandvoort (ca. 1880), een nieuwe poging is gedaan en dat een deel van het Middenduin na afzanding ervan toch vrucht heeft afgeworpen als bollenland. Een aardige anekdote hierbij is de wedstrijd tussen zandwinners en de spoorwegmaatschappij om als eerste het toekomstige kruispunt van de zanderijvaart en de spoorweg te bereiken. De andere partij zou namelijk voor de kosten van de spoorbrug over de vaart opdraaien. De spoorwegmaatschappij verloor de race.

Hendrikx baseert zich vooral op courante literatuur, waardoor belangrijke grondleggers van de Nederlandse (historische) geografie, zoals Beekman en Schuiling, geheel buiten beeld blijven, terwijl ook Thijsse en Heimans niet worden genoemd. Kunnen zij worden gemist? Jazeker, maar de geschiedenis van de wetenschappelijke aandacht voor de ontwikkeling van het cultuurlandschap wordt hierdoor wel met minstens een halve eeuw bekort. Zonder hun bemoeienissen in de pioniersfase was waarschijnlijk een nog veel groter deel van Nederland in de twintigste eeuw opnieuw verkaveld via landinrichtingsprojecten en zo voorgoed onherkenbaar geworden. Hendrikx vat dit samen met de woorden: 'De belangstelling voor cultuur-historische aspecten van het landschap is lang sterk afhankelijk geweest van de toevallige interesse van betrokken instanties of van particulieren.'

Ondanks deze wat simplistische afhandeling is De ontginning van Nederland een welkome bijdrage aan de algemene literatuur op dit meestal specialistische terrein. Het bevat geen haarkloverijen of theoretische bespiegelingen uit het vakgebied en het is evenmin een droge opsomming van bijzondere fenomenen.

Het werk doet recht aan een scala van landschappen, verspreid over het hele land, zonder zich te verliezen in details. De vele kaarten, vooral die van rond 1850 (schaal 1:50.000) in het hoofdstuk 'Samenvatting in kaartbeelden', zijn met zorg gekozen en prachtig gereproduceerd. De klungelige paragraaf met trefwoorden zullen we daarbij maar als een storing in de communicatie tussen auteur en uitgever beschouwen, net als de fouten in jaartallen en namen. Het is een boek dat tal van geïnteresseerden in ons cultuurlandschap zal aanspreken en dat aanzienlijk kan bijdragen aan een breder draagvlak voor de bescherming van bepaalde facetten daarvan.