Brazilië: is rijk zijn heel saai?

RIO DE JANEIRO, 2 OKT. “Het is helemaal niet goed als iedereen rijk wordt”, hield president Fernando Henrique Cardoso een paar duizend sloppenwijkbewoners onlangs voor. Zijn verkiezingstournee had hem naar de sloppenwijk Parque Royal in Rio de Janeiro gebracht. Gewapende politieagenten schermden de blanke president van de zwarte bevolking af. “Het is ook heel saai om rijk te zijn.”

Dit was dus de boodschap van Cardoso aan de veertig procent have nots van Brazilië. Geschrokken van zijn eigen uitspraak stapelde de president-socioloog de volgende dag blunder op blunder. Hij had het niet gezegd als vertegenwoordiger van de politieke elite, maar “als professor, als arme kortom”.

Met zijn lange geschiedenis van keizers en dictators heeft Brazilië nog niet veel presidenten gekozen. Dit weekeinde krijgen de 106 miljoen kiezers weer een kans, en Cardoso lijkt op weg naar een tweede termijn. Want Brazilianen stemmen graag op politici die zichzelf niet als politici gedragen. Onhandigheid kan heel gunstig uitpakken.

De eerste president die na bijna dertig jaar militaire dictatuur in 1989 werd gekozen, was een onbekende provinciaal, Fernando Collor de Mello. Deze opzichtige dandy was net aan corruptieschandalen ten onder gegaan, toen de professor Fernando Henrique Cardoso uit het niets verscheen.

Pagina 4: Politici in Brazilië als plantagehouders

In een wanhoopsgebaar had Collors plaatsvervanger hem minister van Economische Zaken gemaakt. Sindsdien is Fernando Henrique - of FH, zoals hij kozend genoemd wordt - een doorslaand succes. Het is vrijwel zeker dat de man die de afgelopen vier jaar een rigoreuze neo-liberale politiek in Brazilië invoerde, aanstaande zondag al bij de eerste ronde wordt herverkozen.

“Hij geeft je een gevoel van vertrouwen.” “Je ziet dat hij gestudeerd heeft”, zeggen de mannen en de vrouwen op de markt in Rio. Een goed uiterlijk en een flinke dosis paternalisme zijn in de Braziliaanse politiek nu eenmaal altijd belangrijker geweest dan programma's, principes, of zelfs ideologieën. “Politieke partijen in Brazilië hebben nooit een ander doel gehad dan het dienen van het eigenbelang van de heersende elite”, schrijft de Amerikaanse onderzoeker Joseph Page. “De verhouding tot de politiek is dezelfde gebleven als die tot de grote plantagehouders: de leider als absoluut heerser die gunsten uitdeelt aan zijn onderdanen.”

Niet voor niets noemde dictator Getulio Vargas zichzelf in de jaren dertig en veertig 'de vader van de armen' en 'de weldoener van de werkende klasse'. Vargas schakelde vakbonden en linkse partijen uit. Hij zou zelf wel voor de armen zorgen. Om aan de macht te blijven, creëerde hij niet één, maar meerdere politieke partijen, allemaal met de S van socialisme in het vaandel. In de praktijk waren ze instrumenten van de koffieplanters en de oude families.

Toen de Brazilianen in 1960 eindelijk weer eens zelf een president mochten kiezen, stemden ze massaal op de populist Jânio Quadros. De mensen waren diep onder de indruk van zijn lange zwarte manen en zijn a-politieke imago. “Ik ben geen politicus, ik heb alleen ideeën”, was Quadros' lievelingsuitspraak. Jammer genoeg maakte hij er met zijn 'ideeën' economisch zo'n potje van, dat de immer waakzame militairen zich in 1964 'genoodzaakt zagen' een coup te plegen.

Twintig jaar duurde het militaire regime. Na een periode van grote economische ontwikkeling liep het echter ook voor de militairen uit de hand. De staat was failliet en de buitenlandse schuld rees de pan uit. De eerste burgerpresident, benoemd door de militairen, was de politicus Tancredo Neves. Nog voor hij in functie kon treden werd Neves geveld door een dodelijke ziekte. Huilend om hun nieuwe leider stonden de burgers op de trappen voor het ziekenhuis. Mensen sleepten met houten kruizen terwijl anderen over gloeiende kolen liepen om Tancredes Neves beter te maken. Na de dood van Neves volgden weer jaren van openlijke corruptie en vermenging van staats- en elitebelangen.

“Natuurlijk stem ik op Fernando Henrique”, zegt Orlando (29) nu. Trots wijst hij naar het mooie nieuwe asfalt op de weg die naar zijn sloppenwijk op de heuvel voert. Niemand in de wijk heeft een auto, maar wat doet het ertoe. Het asfalt is een cadeautje van de ex-burgemeester van Rio, die nu voor de regeringcoalitie van Fernando Henrique tot gouverneur gekozen wil worden. Orlando lijkt een wandelende kerstboom, vol vlaggen en stickers. Op de modderpaden van zijn wijk schreeuwt hij het uit voor zijn kandidaat. Niet dat hij dat helemaal uit zichzelf doet. Na vier jaar heeft hij eindelijk weer eens een baantje: verkiezingspropaganda maken. Hij wordt er nog goed voor betaald ook.

Kandidaten die sportbroeken en hangmatten uitdelen of hele operaties in het ziekenhuis betalen. Ook bij deze verkiezingen overheerst de aloude praktijk van cliëntelisme en stemmen kopen. Toch is er op één punt een fundamenteel verschil met het verleden: in de race om het presidentschap gaat het dit keer echt ergens over.

Aan de ene kant is er Fernando Henrique Cardoso die zijn neo-liberale beleid van deuren open zetten en privatiseren verdedigt. Hij heeft Brazilië in vier jaar tijd van de veertiende plaats in de wereldeconomie weer naar een achtste plaats op weten te werken. Daarnaast heeft hij een serieus begin gemaakt met de corruptiebestrijding. Aan de andere kant staat Lula da Silva. De socialistische vakbondsman die als enig Braziliaans leider ook zelf weet wat armoede is. Met zijn Partij van de Arbeid (PT) is hij de vertegenwoordiger van de belangen van de arbeiders, en die dertig miljoen 'uitgeslotenen' die in Brazilië onder de armoedegrens leven.

Lula bestrijdt het economisch program van Cardoso. Volgens hem heeft de voormalige linkse professor het land 'uitverkocht' aan buitenlandse kapitaalbelangen. De daling van de export als gevolg van Cardoso's politiek van stabilisering van Braziliaanse munt heeft geleid tot hoge werkloosheid. En ondanks alle buitenlandse investeringen is de kloof tussen arm en rijk in Brazilië gegroeid.

De internationale financiële crisis zorgt in Brazilië op dit moment bijna dagelijks voor een aderlating van bijna één miljard dollar uit de valuta-reserve. Dit toont aan, zegt Lula, dat het economische roer radicaal om moet.

Of de Braziliaanse kiezers daar ook zo over denken, is hoogst twijfelachtig. “We wachten op de wonderbaarlijke vermenigvulgiging van onze stemmen”, grapte Lula gisteravond tegen zijn aanhang. De peilingen geven Lula 24 procent en Cardoso 47 procent. Toch was de aanhang van Lula al dansend in de stromende regen naar de afsluiting van de campagne in Rio de Janeiro gekomen. Op het plein beklaagde Lula zich over de wijze waarop Cardoso de overheidsmachine inzette voor zijn campagne. Toch is het wonder van deze verkiezingen allang geschied. Voor het eerst in het Latijns-Amerika van na de dictaturen wordt er serieus gediscussieerd over de inhoud van een economisch program.