Boven de afgrond

Flemming, Westphal, Da Costa, Beard & Hecker: Angst- en paniekstoornissen. Deel II; de teksten. (Vert. Marjolijn Stoltenkamp, inleiding prof.dr. G. Glas en nabeschouwing prof.dr. J.A. den Boer) Candide/Wrede Veldt, 241 blz. ƒ 30,-

Van alle vormen van angst is de vrees voor de eigen dood het grootst. Daarom maakte de manier waarop de grote Amerikaanse psycholoog en filosoof William James (1842-1910) omging met zijn hartkwaal grote indruk op Freud. In 1909 gaf Freud een vijftal colleges over de psychoanalyse aan de Clark Universiteit in Worchester, Massachusetts. Bij die gelegenheid maakten ze samen een wandeling. In 1925 beschreef Freud in zijn autobiografische studie Selbstdarstellung hoe de Amerikaan plotseling bleef staan, aan Freud zijn aktentas overhandigde en hem vroeg door te wandelen. James voelde een aanval van angina pectoris opkomen en zou zich zodra die over was weer bij Freud voegen. Sindsdien heeft Freud altijd verlangd naar een zelfde onbevreesdheid in het aangezicht van het nabije levenseinde. Een jaar later overleed James.

Freud is altijd blijven worstelen met de vraag hoe je angst het best kunt begrijpen. 'We zoeken naar een inzicht dat ons het wezen van angst ontsluit', schrijft Freud in Hemmung, Symptom und Angst (1926). 'Maar dat is moeilijk, angst is niet gemakkelijk te vatten.' Daarom is het jammer dat Gerrit Glas, psychiater in het Academisch Ziekenhuis Utrecht en hoogleraar Reformatorische Wijsbegeerte in Leiden, in zijn overigens kristalheldere inleiding bij de tekstbundel Angst en paniekstoornissen II slechts de periode tussen 1850 en 1900 behandelt. Daarbij vallen Freud en de Franse zielkundige Pierre Janet (1859-1947) buiten de boot. Om te weten hoe Freud in 1932 definitief afstapte van het idee dat angst louter omgezette libido was, kan men beter bij Glas' proefschrift Concepten van angst en angststoornissen (1991) terecht. En voor de betekenis van het werk van Janet, zoals Les obsessions et la psychothénie (1903), moet men Glas' inleiding bij het eerste deel van Angst- en paniekstoornissen (1995) lezen.

Deel II van Angst- en paniekstoornissen bevat uitstekend vertaalde psychiatrische teksten uit de vorige eeuw. Ze behandelen precordiale angst (Flemming), het prikkelbare hart (Da Costa), agorafobie en dwangvoorstellingen (Westphal), neurasthenie (Beard) en gemaskeerde en incomplete angsttoestanden (Hecker).

Na lezing kun je moeilijk om de conclusie heen dat de moderne psychiater de kunst niet meer verstaat beeldend te beschrijven waar zijn patiënten last van hebben. Bij de auteurs uit deze bundel zie je de patiënt in één oogopslag voor je. Sommige uitspraken zijn prikkelend. Zo noemt de Amerikaan George Beard, zelf een vreemde vogel met trekken van een charlatan, neurasthenie een ziekte van de straat. De omvangrijke casuïstiek van Da Costa vergt het uiterste van de lezer. Maar niemand is natuurlijk verplicht alles te lezen. Na al dit fraais valt de farmacologische nabeschouwing door de Groningse hoogleraar psychiatrie Hans den Boer een beetje uit de toon.

Carl Westphal (1833-1890) geeft een indrukwekkend beeld van het moeizame getob van een pastoor met hoog Kierkegaard-gehalte. De man vertelt hem niet in staat te zijn geestelijk te existeren op een hoger gelegen verdieping van zijn huis. Daar kan hij niet meer nadenken en voelt hij zich lichamelijk zweverig en onwel. Het best voelt de geestelijke zich in zijn studeerkamer op de begane grond en in nog lager gelegen vertrekken in het souterrain. Zelfs op de parterre, een paar centimeter boven de grond, voelt hij zich in alle kamers belemmerd; hij kan er werken noch studeren. Hij voelt zich onwel en angstig, alsof hij boven de afgrond hangt.

Ook het probleem van de zevenentwintigjarige vrouw met 'dwangvoorstellingen' lijkt me geenszins uit de tijd, al zullen psychiaters die nu veeleer paranoïde betrekkingsideeën noemen. De vrouw is zes jaar getrouwd en kinderloos, komt uit een zeer goed en welgesteld milieu, adoreert haar man en wordt op haar beurt door hem op handen gedragen. Als kind had ze al de neiging zich in te beelden dat ze dingen had weggenomen die ze nooit had aangeraakt. Toen ze zeventien was verplaatsten haar waanideeën zich naar het seksuele gebied. Tussen achttien en twintig jaar verdwenen die klachten toen ze het huishouden moest bestieren.

Tijdens het eerste jaar van haar huwelijk kreeg zij het idee dat ze seksueel contact had gehad met iedere man met wie ze toevallig enkele ogenblikken alleen was geweest. Liefdadigheidswerk, verre reizen, bezoeken aan kuuroorden, goede boeken, ontspanning, het baatte allemaal niet. 'Sinds vorig jaar zijn haar voorstellingen veranderd', schrijft Westphal. 'De patiënte denkt dat ze kennissen heeft vergiftigd of dat ze in een hotel een dienstmeisje heeft doodgeslagen en onder het bed heeft gestopt. De laatste tijd is haar toestand zo verergerd dat ze denkt ieder mens te hebben omgebracht van wie ze een overlijdensbericht in de krant leest en van wie ze zelfs de naam niet kent.'