Biologische landbouw; Het is beter geleidelijk te bekeren

Spil, kritisch tweemaandelijks tijdschrift over landbouw en platteland, nummer 155-156, september 1998. Tel. 0573 452075

Het blijft sukkelen in de ecologische landbouw. Weliswaar heeft nu ook de gewone supermarkt producten met EKO-keurmerk in het schap, maar hoeveelheid en kwaliteit zijn nog niet om over naar huis te schrijven. Een constatering die wordt bevestigd door een onderzoek van het Instituut voor Agrobiologisch en Bodemvruchtbaarheidsonderzoek (AB-DLO) in Wageningen. De resultaten ervan worden beschreven in een speciaal nummer van het - al evenzeer ploeterende - tijdschrift Spil, met daarin de bijdragen van de deelnemers aan een studiedag over 'Ecologisering van de landbouw'.

Het onderzoek van AB-DLO laat zien dat de deelnemende akkerbouwers niet in staat zijn om voldoende kwaliteit te leveren. Vooral bij de financieel interessante gewassen winterpeen, pootaardappel en consumptie-aardappel worden grote sorteerverliezen geleden. Ook de opbrengsten vallen tegen. De beruchte schimmel Phytophtera blijkt bijvoorbeeld, zonder gebruik van chemicaliën, nauwelijks onder de duim te houden. Dat bleek afgelopen seizoen nog maar weer eens toen veel ecologische boeren naar koperoxichloride moesten grijpen; een middel dat slechter scoort op de milieumeetlat dan veel 'chemische' middelen.

Ecologisch boeren vergt ook veel handwerk. De grote angst van gangbare boeren voor omschakeling naar ecologisch boeren is onkruid wieden. Op de knieën door het uienveld. Die angst blijkt terecht. Uit het onderzoek van AB-DLO blijkt dat slechts één bedrijf in 1997 onder de norm bleef van 500 uur wieden. De rest was meer tijd kwijt. Veel meer tijd zelfs; een enkeling zelfs 2.400 uur. De grote boosdoener was vogelmuur, een vrij veel voorkomend (on)kruid. Ook voor herderstasje en straatgras moesten de ecologische boeren regelmatig door de knieën.

Op grond van deze resultaten is het niet verwonderlijk dat het areaal groenten en akkerbouwgewassen waarop ecologisch wordt geteeld, al een paar jaar blijft steken op zo'n 5.000 hectare. Ondanks het feit dat boeren die omschakelen naar ecologische landbouw, gedurende vijf jaar een subsidie kunnen krijgen van 500 tot 1.200 gulden per hectare. En ondanks het feit dat allerlei maatschappelijke organisaties en politieke partijen de ecologische boeren in de armen hebben gesloten. De PvdA bijvoorbeeld wil dat in 2008 op 10 procent van het landbouwareaal ecologisch wordt geboerd (nu 0,9 procent). GroenLinks gaat nog een stap verder en mikt op 20 procent van het areaal in 2005 en op 100 procent in 2015. Niet alleen hier, maar in de hele Europese Unie.

De oorzaken van de stagnatie kunnen volgens de onderzoekers van AB-DLO worden weggenomen door meer onderzoek te doen naar de knelpunten in de ecologische landbouw. Waarschijnlijker is echter, dat de uitgangspunten van de ecologische landbouw niet deugen. Vooral de eis dat er geen kunstmest en geen bestrijdingsmiddelen worden gebruikt frustreren verdere ontwikkeling, zo blijkt uit andere bijdragen aan Spil.

Daaruit blijkt dat er behoefte is aan een andere benadering; een benadering die wordt omschreven als 'ecologisering' van de landbouw. Het lijkt een subtiel woordenspel, maar het is wezenlijk iets anders dan omschakeling op ecologische landbouw. Bij ecologisering ligt namelijk de nadruk op het duurzamer maken van de gangbare landbouw. Niet alleen ecologisch, maar ook sociaal en economisch. Dat wil zeggen dat de consument moet kunnen beschikken over een betaalbaar pakket voedingsmiddelen, maar ook dat de boer een behoorlijk inkomen moet kunnen verdienen.

De ecologische duurzaamheid vertaalt zich - net als in de EKO-landbouw - in het zoveel mogelijk gebruik maken van ecologische processen. Bijvoorbeeld een vruchtwisseling waarbij slechts eens in de zes jaar hetzelfde gewas op hetzelfde perceel komt. Of stroken natuur langs de akkers om de ontwikkeling van natuurlijke vijanden van plaaginsecten te stimuleren. En slimme technieken om meststoffen (hetzij van dierlijke oorsprong, hetzij synthetisch) en bestrijdingsmiddelen accuraat te doseren.

Een belangrijke impuls voor ecologisering is ook de herinvoering van het gemengde bedrijf; de aloude combinatie van akkerbouw en veeteelt. In Spil worden de resultaten vergeleken van een gemengd bedrijf waarin geen kunstmest en bestrijdingsmiddelen worden gebruikt en een gemengd bedrijf, dat streeft naar minimaliseren van het gebruik van chemicaliën. In het laatste geval blijkt het verlies aan stikstof lager dan bij het bedrijf op EKO-basis. Maar wat nog belangrijker is, is dat de opbrengsten vergelijkbaar zijn met die in de gangbare landbouw. Op het EKO-bedrijf liggen die circa 30 procent lager.

Zo beschouwd is 'ecologiseren' een beter begaanbare weg dan het omschakelen op EKO-landbouw. Het laatste vergt een 'bekering', waar veel boeren - terecht - huiverig voor zijn. Bij ecologiseren is veel meer sprake van een graduele verandering, waarbij het gebruik van meststoffen (zowel kunstmest als dierlijke mest) en bestrijdingsmiddelen tot een minimum wordt teruggebracht. Voor veel boeren is dat aantrekkelijker dan het steeds maar herhalen van de mantra: geen kunstmest, geen bestrijdingsmiddelen.