Abraham Kuyper voor gevorderden

C. Augustijn en J. Vree: Abraham Kuyper: vast en veranderlijk, de ontwikkeling van zijn denken. Meinema, 256 blz. ƒ 39,90

Abraham Kuyper is 79 jaar oud als hij zijn uitgever, J.H. Kok te Kampen, bij zich laat komen voor een gesprek over wat zijn laatste grote boek zou worden, Antirevolutionaire Staatkunde. In een brief aan een van diens dochters beschrijft Kok later hoe dat gesprek, in het voorjaar van 1915, verloopt: “Toen alles, ook de omvang en de wijze van verschijning, geregeld was, vroeg ik, wanneer hij dacht dat het laatste deel van het werk gereed zou kunnen zijn. Dat zullen wij eens even uitrekenen, Kok, was zijn antwoord. Uw Vader nam potlood en papier, en zachtkens voor zich zelf sprekende, rekende hij eerst uit, hoeveel uren hij op de verschillende dagen voor dit werk kon vrijmaken. 'k Hoorde hem zeggen: Maandags zooveel, Dinsdags zooveel, .... dat is dus totaal zooveel uren per week. Het geheele werk wordt zooveel pagina's, dat is dus zooveel pagina's schrifts. Ik kan per uur schrijven zooveel pagina's, dat is dus .... En na enige berekeningen zeide uw Vader plotseling: als er dus geen verhindering komt, kan ik met de laatste copy nog net in December 1916 gereed komen. Reken dus daar maar op, Kok, zoo zeide uw Vader letterlijk. 'k Weet me nog levendig te herinneren dat ik toen bij mijzelf zeide: nu daar zal nog wel een paar maanden aan ontbreken. Doch 't kwam precies zoo uit [...].'

Onze menschen

De brief van uitgever Kok is te lezen in het in 1921 verschenen, uiterst hagiografische De levensavond van dr. A. Kuyper, het boek waarin Kuypers beide dochters zijn laatste levensjaren en sterfbed tot in het kleinste detail optekenden, ten behoeve van 'onze menschen'.

Bij zijn aanhangers roept Abraham Kuyper diepe verering op. Ze hebben gesmuld van dit boek, dat van hem een legende, een calvinistische heilige maakt. Maar ook bij zijn tegenstanders, die hem soms verguizen, bestaat bewondering voor de grote werk- en denkkracht van de antirevolutionaire leider. Tekenend daarvoor is het vers Kuyper in nood van de dichter Koos Speenhof. In het eerste couplet geeft hij - wellicht onbedoeld - compact diens grote kwaliteiten weer. Kuyper, nooit voldane Kuyper, Schriftgeleerde, journalist, Rentenier en wereldburger, Boekenschrijver, publicist, Kamerlid en staatsminister, Welgekleede burgerheer, Kuyper, nooit voldane Kuyper, Zeg, wat mot je nou nog meer?

Maar vervolgens sabelt hij Kuyper met groot genoegen neer, omdat aan het licht is gekomen dat hij als minister-president in 1903 een lintje heeft georganiseerd voor de Amsterdamse zakenman R. Lehman, die een aanzienlijke som in de kas van de Antirevolutionaire Partij heeft gestort en omdat hij later ook diens broer een decoratie probeerde te bezorgen. Kuyper, Kuyper, trotsche Kuyper, Man, je bent je standbeeld kwijt.

'Abraham de Geweldige' roept veel verering, maar ook veel weerzin op - en niet van de minsten. De historicus Fasseur schrijft in zijn biografie van koningin Wilhelmina dat de vorstin Kuyper ervan verdenkt een calvinistische republikein te zijn. Ook karakterologisch heeft ze geen hoge pet van hem op. “Zijne groote en veelzijdige gaven werden vooral door zijn eerzucht en ijdelheid en heerszucht verhinderd dat voort te brengen wat zij anders hadden kunnen presteeren.” Voor haar afkeer heeft ze ook wel reden, want Kuyper laat er geen misverstand over bestaan dat hij een vrouw op de troon niet ziet zitten. Hij blijft weg bij de inhuldiging in 1898 omdat hij een reis naar de Verenigde Staten maakt en hij betwijfelt openlijk of haar eventuele kinderen nog wel tot het Huis van Oranje kunnen worden gerekend.

Doener

Kuyper staat vooral bekend als doener en groot organisator. Hij was de grondlegger van het dagblad De Standaard (1872), waarvan hij jarenlang hoofdredacteur was, richtte de Antirevolutionaire Partij (1879) op, waarvan hij enkele decennia de eerste man bleef, stichtte de Vrije Universiteit (1880), waarvan hij rector-magnificus werd, verenigde de Afgescheidenen en Dolerenden in één kerkverband (1892) en was van 1901-1905 premier.

Maar Kuyper is evenzeer een imposant denker. In de bundel Abraham Kuyper: vast en veranderlijk van C. Augustijn en J. Vree vind je niets van het anekdotische dat biografieën zo leesbaar maakt, maar een schets van de ontwikkeling van Kuypers denken - dat overigens veelal in het teken van zijn daden staat. Het boek kan dienen als een cursus 'Kuyper voor gevorderden'.

De kerkhistoricus Augustijn maakt duidelijk hoe in Kuypers theologische bezinning op de samenleving zowel een scheidend als een bindend element zit. Aan het eind van de jaren zestig van de vorige eeuw distantieert hij zich innerlijk al van de idee van de volkskerk, maar in zijn theologie blijft hij vasthouden aan de idee van de ene, door de gereformeerde religie gestempelde natie. Aan het eind van de jaren zeventig begint de verandering, mede onder invloed van het volkspetitionnement voor erkenning en gelijkstelling van de christelijke scholen. De definitieve omslag valt in 1885. Vanaf dat moment ziet hij de kerk als een Gideonsbende die van consequentie tot consequentie voortgaat. Geen lijdelijkheid, maar activiteit. Als veel christenen daardoor afhaken dan moet dat maar.

Toch blijft ook dan de noodzaak om de band met de samenleving als geheel intact te houden. Daartoe ontwikkelt Kuyper het begrip 'gemeene gratie', de impliciete doorwerking van het evangelie in de samenleving, zoals die tot uitdrukking komt in de armenzorg en het opkomen voor de plaats van de vrouw. Augustijn kwalificeert dat als een vorm van christelijk imperialisme, maar wijst erop dat deze term nauw aansluit bij uitlatingen van de vroege Kuyper over natuurlijke godskennis, die bij alle mensen aanwezig is. De denkende mens zoekt naar de orde der dingen, zoals die in de natuur gegeven is. De mens kent recht en plicht en ook daarin zit een element van natuurlijk godsbesef.

De betekenis van de 'antithese' tussen christelijk en niet-christelijk, die in geschriften over Kuyper vaak als centraal begrip in diens denken wordt gezien, wordt door Augustijn in de context van zijn politieke optreden geplaatst. De term wordt door Kuyper vooral instrumenteel gebruikt, aldus Augustijn. De epigonen zullen die relativering niet appreciëren.

Diverse aspecten uit Kuypers denken worden in dit boek thematisch behandeld. Dat heeft tot gevolg dat hoofdstukken elkaar soms overlappen en dat er, ook binnen hoofdstukken, nogal eens door de tijd wordt gesprongen. Dat maakt het lezen er niet eenvoudiger op. Af en toe dreig je te verdwalen in de citaten en interpretaties. Ook voor Kuyper geldt wat de historicus van het protestantisme dr. G. Puchinger ooit over een andere reformatorische filosoof schreef: hij was 'een ondoordringbaar oerwoud, het is er vol, het is er heet, er is op het eerste gezicht niet in door te dringen, en áls je er eenmaal in bent is weer de vraag: hoe kom je eruit?'