WK 1979; Een winnaar die grijnst en vloekt

WANNEER JAN RAAS wilde winnen, won hij bijna altijd. Zelden heb ik zo'n vechtlustige, zelfverzekerde wielrenner meegemaakt als Raas. Een wielrenner die sterk was en slim. Een sportman die nooit zeurde als een voetballer, die respect had voor tegenstanders, een sportman die zei waar het op stond. Die vanachter zijn brilletje zijn oogjes deed glimmen en je tegelijkertijd de huid vol schold met godverdommes wanneer hem niet aanstond wat je als wielerverslaggever over hem had geschreven. Wanneer hij zijn hart had gelucht, was hij weer rustig. Dan vertelde hij een schuine mop en was de lucht geklaard.

Jan Raas werd in 1979 wereldkampioen en hij was een fantastische wereldkampioen. Ik balde net als Raas de vuisten toen hij als eerste over de eindstreep in Valkenburg reed. Hij zwaaide met zijn rechtervuist en sloeg alle spanning na een hele dag fietsen in de regen van zich af. De kracht van een fantastische wielrenner ontlaadde zich onder het finishdoek.

Dagenlang was hij bestempeld als de grote favoriet voor de wereldtitel. Raas deed er alles aan die favorietenrol kwijt te raken. Maar het lukte hem niet. Raas voelde zich sterk en wanneer Raas zich sterk voelde kon hij dat niet verbergen. Natuurlijk waren Roger de Vlaeminck, Daniel Willems, Francesco Moser, Giuseppe Saronni, Giovanni Battaglin, Bernard Hinault en Didi Thurau ook favoriet en voelden ze zich net zo sterk.

Maar Raas was meer dan wie ook verzekerd van een sterke ploeg: regerend wereldkampioen Gerrie Knetemann, ex-wereldkampioen Hennie Kuiper, Joop Zoetemelk, Johan van de Velde, Jo Maas, Aad van den Hoek, Cees Priem, Leo van Vliet, Bert Oosterbosch, Frits Pirard, Piet van Katwijk en vooral de beste hulp die hij zich maar wensen kon, Henk Lubberding.

Achttienmaal moesten de renners op het WK-traject de Cauberg beklimmen. In de voorlaatste ronde maakten zich acht renners los uit een groep van 23. Raas en Lubberding, Chalmel en Bernaudeau, Thurau, Battaglin, Knudsen en Willems. De zon brak door, het hield op met regenen. Ik zag de besmeurde Lubberding op kop voorbij sleuren. Ik hoorde zijn ketting ratelen. Lubberding in de rol van zijn leven. Aan zijn wiel de gespannen Raas, een beetje slingerend met zijn voorwiel, loerend over zijn bril, de kenmerken van Raas wanneer hij wil winnen. Is alles geregeld? Houdt iedereen zich aan de afspraken? Weet ik wel zeker dat ik ga winnen? De anderen wachtend en loerend op een aanval. Raas overwoog even een andere fiets te nemen, met een lichter verzet, zodat hij als niet-klimmer op de beklimming van de Cauberg bij kon blijven. Maar zijn ploegleiders Liebregts en Post adviseerden hem niet van fiets te ruilen. Dat zou zeker twintig seconden hebben gekost.

Battaglin plaatste op de laatste beklimming van de Cauberg de eerste aanval, maar hij kwam niet ver. Toen ineens was Chalmel weg, een gewone Franse renner die toevallig voorzitter was van de beroepsrennersbond. Lubberding kon niet meer achter hem aan, Knudsen en Willems ook niet. Raas wilde niet, Bernaudeau en Battaglin evenmin. Chalmel ging wereldkampioen worden. Het kon niet waar zijn. De achtervolgers keken elkaar aan. Wie als eerste in de achtervolging gaat, is verloren, zegt een oude wielerwet. Dus ging niemand.

Maar Raas dan? Raas moest, hij moest voor eigen publiek, voor 200.000 toeschouwers mocht hij niet verliezen. Maar hij deed niets. Hij bleef slechts wachten en loeren. Het was een psychologische oorlog. Mooier kon een ontknoping niet zijn. Wie hield zijn zenuwen het langst in bedwang, wie wilde Chalmel gaan halen en wie niet?

Toen was er Thurau, de Duitser. Hij kon niet wachten, hij nam de kop en gooide het tempo omhoog. De grijns van Raas sprak boekdelen. Gelukkig, Thurau deed het. Op tweehonderd meter van de finish werd Chalmel gepakt door Thurau en de anderen. Raas nam onmiddellijk het initiatief, gevolgd door Battaglin. Thurau ging niet opzij, zwaaide naar buiten, waardoor Raas opzij moest en Battaglin op zijn beurt tegen het wekdek smakte. Raas ging door, Thurau kon niet meer bij hem komen en onderstreepte de wielerlogica dat degene die de achtervolging leidt, zijn ondergang tegemoetgaat.

Nu had Thurau wel meer verloren, zoals twee jaar eerder op het WK in San Cristobal, Venezuela, toen hij in duel met Moser opzichtig op de eindstreep in de remmen kneep. Vandaar dat na de triomf van Raas in Valkenburg onmiddellijk werd verwezen naar de slechte reputatie van Thurau. Raas zal hem wel om hulp hebben gevraagd, tegen betaling natuurlijk.

Het zijn de verhalen die de wielersport ontsieren, maar ook zo boeiend maken. Zoals de veronderstelling van de buitenlandse wielrenners en hun bevriende media dat Raas in de eindsprint op onreglementaire wijze Battaglin onderuit had gereden. Zelfs de jury, met de Nederlandse wedstrijdleider Jeremiasse (een Zeeuw, net als Raas), werd gesommeerd de televisiebeelden te bekijken of Raas inderdaad onsportief had gehandeld. De meerderheid had niets onreglementairs gezien.

Jan Raas bleef wereldkampioen. In het rennershotel in Epen werd tot diep in de nacht champagne en bier gedronken. En Raas riep bij elke slok 'godverdomme'. Hij vervloekte de NOS-televisie, met name verslaggever Mart Smeets en regisseur Martijn Lindenberg, die volgens Raas te vaak hadden laten zien dat hij van andere renners op de Cauberg duwtjes in de rug had gekregen. Hij verwachtte van de Nederlandse televisie meer positieve steun. Daarom had hij besloten Smeets na afloop van zijn triomf niet te woord te staan. Zo was Raas, godverdomme, en hij nam nog een grote slok champagne.

De buitenlandse pers sprak schande van de manier waarop Raas wereldkampioen was geworden. De Italianen namen het Raas kwalijk dat hij Battaglin had omver gereden, terwijl toch Thurau de schuldige was. De Fransen en Belgen hadden op de door de NOS geregisseerde beelden gezien hoe Raas op onreglementaire wijze was geholpen door zijn ploeggenoten.

Een paar weken later moest Raas het zelfs ontgelden bij de Franse klassieker Blois-Chaville. Franse toeschouwers scholden hem uit voor verrader en onsportieveling. Raas reageerde als Raas. Hij balde zijn vuisten, stapte van zijn fiets en sloeg de man die hem beledigde in één klap neer. Jan Raas was een vechtersbaas, meer in goede dan in kwade zin. Hij was een sportman waar ik van hou, een type sportman dat helaas snel uitsterft.