WIELERTAAL

Het wielrennen kent zijn eigen jargon. Een klein lexicon:

Afdraaien In: zijn kloten afdraaien. Wielertaal is soms ruw. Bedoeld wordt een renner die zich te pletter fietst in dienst van een andere renner, met opoffering van zijn eigen kansen.

Boom In: aan de boom schudden. Een renner die hard op kop van een groep gaat rijden - bijvoorbeeld in de beklimming - schudt aan de boom: hij wil wel eens zien wie hem kan volgen en wie er moet lossen.

Dans In: de dans leiden. Op kop rijden, met name berg-op.

Deur In: de deur dichtdoen. Zorgen in een eindsprint dat een concurrent in een bocht niet binnendoor kan komen.

Dood In: de dood of de gladiolen. Zo hard mogelijk rijden onder het motto: alles of niets.

Duivels In: zijn duivels ontbinden. Een maximale inspanning verrichten.

Elastiek In: aan het elastiek hangen. Een renner die het tempo van een kopgroep nog maar net of eigenlijk bijna niet meer kan volgen, hangt aan het elastiek. Vooral tijdens beklimmingen een veel voorkomend verschijnsel.

Erop-en-erover Renner werkt achterstand op een of meer renners voor hem weg, rijdt erlangs, en neemt meteen een voorsprong. Hij gaat erop-en-erover.

Grote molen Wie de grote molen rijdt of draait, heeft het zwaarste verzet op zijn fiets ingeschakeld.

Harken Wie zit te harken, rijdt lelijk, maar doet wel zijn uiterste best. Aangenomen wordt dat de tegenwoordige bondscoach Knetemann deze term heeft geïntroduceerd.

Klasbak Een renner met veel talent.

Kuitenbijter Een helling met een hoog stijgingspercentage. De Cauberg is voor sommige renners een kuitenbijter, zeker als er vijftien keer op één dag overheen gefietst moet worden.

Kwakken Doen wielrenners die in een eindsprint van hun rechte lijn afwijken en zo de concurrenten de pas afsnijden. Ook wel: een kwak geven.

Linkebal Een renner die de kluit bedondert. Hij doet alsof hij uitgeput is, laat andere renners in een kopgroep het zware werk doen - om hen ten slotte aan de eindstreek te kloppen.

Macht Dikwijls in: Jalabert gaat op de macht naar boven. Renners met niet al te veel klimmerstalent komen toch vaak goed mee doordat ze met een zware versnelling omhoog gaan. De Limburgse heuvels zijn er geschikt voor.

Patat Hoewel als etenswaar niet weg te denken bij Vlaamse koersen vooral gebruikt in: een patat krijgen, figuurlijk een klap krijgen, achterstand oplopen.

Opblazen In: Nelissen heeft zichzelf opgeblazen. De renner is aan zijn bovenmatige inspanningen ten onder gegaan en kan niet meer.

Ploegenspel De tactiek die een wielerploeg uitvoert en die bij het WK extra pikant kan zijn, omdat in de nationale equipes renners uit verschillende merkenteams worden geacht samen te werken.

Reserve In: Boogerd rijdt de Vuelta op reserve: hij fietst mee, maar spaart zijn krachten.

Snot In: Hij rijdt zich het snot voor de ogen: hij rijdt zich de longen uit het lijf.

Spel In: Het spel is op de wagen. Nadat de renners het rustig aan hebben gedaan, begint de strijd nu echt.

Telefoneren Een renner die demarreert, maar dat vooraf door zijn houding en bewegingen duidelijk aankondigt, heeft getelefoneerd.

Turbo In: Ballerini zet de turbo op: hij gaat extra hard fietsen. Bij renners worden ook wel 'turbodijen' gesignaleerd.

Vals plat Sommige weggedeelten, zoals in Limburg, lijken niet te stijgen, maar gaan, bijna onzichtbaar, toch omhoog. Ze zijn vals plat.

Wegkapitein Niet de kopman van de ploeg, maar wel een ervaren renner die als een soort verlengstuk van de ploegleider de wedstrijdtactiek bepaalt.