Trou moet blijcken

Heimwee

Hoe het die aarde hier die hart verstrik

in al wat helder en hom dierbaar is -

die stemme van vroue, koel hande, die blik

van kinderoë wat nog skugter is

amandelbome, brame, angeliere

pluime, poue, bloekoms teen die reën

riwwe en rante, die diepgang van riviere

en oor die kuil die kringe van 'n steen.

Hoe moet ek een dag van dié dinge skei

waarmee ek só verstrengel is? Ek glo

ek sal van hulle nooit genoeg kan kry

en in die helder hemele daar bo

wat agter die verste, vaste sterre lê

sal soms die hemellinge ook heimwee hê.

W.E.G. Louw (1913-1980)

Niet dat het er toe doet, maar omdat de dichter N.P. van Wyk Louw een van de weinige Afrikaanse dichters was die vóór het sluiten van de sluizen in Nederland enige faam genoot - nog in 1960 publiceerde uitgeverij Van Oorschot in haar prestigieuze poëziereeks een keuze uit zijn werk - zeg ik er even bij dat W.E.G. Louw z'n enkele jaren jongere broer is. Snel van de afdeling Burgerlijke Stand terug naar de poëzie. Die vertelt ons meer over een dichter.

We lezen alleen de eerste twee regels en zien W.E.G. Louw al voor ons, geschetst tot in z'n merg. Hier presenteert zich iemand die zó aan de aarde en het leven gehecht is dat het hem moeilijk valt afscheid te nemen. Niet uit egoïsme of hang naar wereldse goederen. De aarde heeft juist hém verstrikt - dat hart van hem - en wat hem bekoort is de zuiverheid.

Na deze inzet, gemarkeerd door die welgemikte gedachtestreep, begint het gedicht uit te waaieren. Het krijgt als het ware een epischer tred. De dichter specificeert de helderheid en alles wat zijn hart dierbaar is. Hij doet dat door een opsomming die de rest van het octaaf vult. Hem fascineren, zo blijkt, koelte en zuiverheid, onschuld en natuurweelde, bloei en bescherming, diepgang en vluchtigheid.

Ik hoef u niets te vertellen over de magie van de opsomming. Er gaat een bezwerende, rituele, bijbelse kracht van uit als het goed gebeurt - en hier gebeurt het goed. Het begint met het geluid van de vrouwenstemmen, de tastzin van de handen en het kijken van de kinderogen: klaarheid, koelheid, schuchterheid. Dan, bij

amandelbome, brame, angeliere

- ontbreken ineens de adjectieven. Drie woorden die voor hun eigen gloed moeten opkomen. Vervolgens wordt de intensiviteit opnieuw verhoogd door allitererende paren. Pluime, poue. Riwwe en rante. Pluimen en pauwen. Riffen en heuvelrijen. Met daartussenin het prachtige

bloekoms teen die reën

- prachtig, omdat tussen de omhoogstrevende pluimen en riffen de bloekoms, een soort eucalyptusbomen, er een beetje bijstaan als goedmoedige paraplu's, die juist tegen onheil van boven beschermen. Ten slotte volgt nog de diepgang van het water -

en oor die kuil die kringe van 'n steen.

- en de oppervlakkigheid van de steen, zal ik maar zeggen. Een kuil is in het Afrikaans ook een waterpoel, een diepte in de rivier, en wat hier wordt geschetst is de uitwaaierende, vervlietende rimpeling die na het keilen met een steentje ontstaat.

Dan opnieuw een welgemikt leesteken. Drie puntjes. Het sonnet breekt in tweeën.

De opsomming in de eerste helft had iets van een panorama. De dichter werd er door omarmd, omsingeld, 'verstrikt'. Alles droeg bij tot het beeld van een rond panorama, een cilindervormige vertoning - de alliteraties, de processie, 'die kringe'. Kringe, dinge. De dichter zit er middenin, hij wil er niet uit. Verderop geeft hij ook toe ermee 'verstrengeld' te zijn. Hij keek niet afstandelijk naar de betoveringen, hij draait mee.

Het versterkt de voorstelling van de hemel als een soort blauwe uitvlucht bovenin de koker. Een andere wereld. Alles is tweedeling in dit gedicht. In het panorama van de opsomming was daar al de stilzwijgende tweedeling tussen onschuld en bloeiende overdaad, tussen het tarten van de hemel en de beschutting ertegen, tussen het peillood en de rimpeling. In de opbouw van het sonnet is er die strenge scheiding tussen octaaf en sextet, nog eens versterkt door het feit dat het gedicht uit slechts twee zinnen bestaat, waarbij octaaf en sextet elk een zin voor hun rekening nemen.

Het is uiteindelijk de tweedeling tussen aarde en hemel, beneden en boven, leven en dood.

Om hemel en dood gaat het in de tweede helft van het gedicht. We horen de kreet van een man die zich niet uit de tovercirkel wil losmaken. Hij wil meer en meer. De hemel is hoog en ver weg. Hoe hoog en ver weg wel, dat pepert de dichter ons in door zijn kokerbeeld - daarboven, achter de verste, vaste sterren. Die helder hemele daar bo, zegt hij, alsof hij door het woord helder voor een tweede maal in het gedicht te gebruiken de tweedeling nog eens wil benadrukken.

Er heerst daarboven wel helderheid, maar het is niet de helderheid die hij verlangt. De dichter gaat zelfs zo ver dat hij veronderstelt dat ze in de hemel wel eens zullen terugverlangen naar de aarde. Heimwee in de hemel. Het is een adembenemende gedachte. Er is niets gruwelijkers dan heimwee. Wat is dat voor een hemel?

Soms leiden tegenstellingen tot een synthese. Soms is een zekere harmonie het resultaat van een tweegevecht. Zo niet hier. De dood is voor deze dichter een enkele reis, met alleen maar de bittere, bedrieglijke suggestie van een retourtje.