REGENBOOGTRUI; Een veelkleurige trui met zware ballast

De nieuwe wereldkampioen krijgt meer aanzien, meer salaris en meer startgeld. Tegelijkertijd draagt hij een loden last op zijn schouders, want adel verplicht. Over de verlammende werking van de regenboogtrui.

GEEN TRUI ZO MOOI als de regenboogtrui. Het witte tricot met de gekleurde, horizontale banen onderscheidt zich op subtiele wijze van de sponsorshirts, die soms pijn aan de ogen doen. De regenboogtrui bracht schaatser Hilbert van der Duim in 1983 op originele gedachten. Hij verscheen in een vergelijkbare kleurencombinatie op het olieijs van Bislett. Zijn regenboogpak zag er flitsend uit, maar zijn rondetijden vielen bitter tegen. Van der Duim werd uitgelachen door het Noorse schaatspubliek. Hij heeft het pak nooit meer aangetrokken.

In de wielersport is de regenboogtrui niet weg te denken. De wereldkampioen is de blikvanger van het peloton. Overal waar hij aan de start verschijnt, wordt hij geconfronteerd met zijn succes. De microfonisten geven hem een speciale vermelding. De toeschouwers kijken hem bewonderend aan. De concurrenten houden hem voortdurend in de gaten. Afstappen is er niet meer bij. De drager van de regenboogtrui kan ook beter niet met een grote achterstand over de eindstreep rijden. Hoongelach is zijn lot.

De meeste wereldkampioenen van het afgelopen decennium konden de weelde niet dragen. Zij reden voor spek en bonen in de regenboogtrui. De Ier Stephen Roche (1987) verrijkte zich met spijs en drank. De Belg Rudy Dhaenens (1990) kreeg last van zijn hart. De Amerikaan Lance Armstrong (1993) dacht vooral aan zijn bankrekening. De Fransman Luc Leblanc (1994) koos voor de verkeerde sponsor. Voor de Belg Johan Museeuw (1996) en de Fransman Laurent Brochard (1997) golden verzachtende omstandigheden. Museeuw won weinig, maar hij reed nog steeds van voren. Brochard had te maken met de dopingaffaire bij Festina.

Deze renners werden niet bij toeval wereldkampioen; de meesten hadden voor het WK een aardige erelijst opgebouwd. En ze kwamen de tijdelijke inzinking snel te boven. Ze hoefden geen winkels meer te openen. Ze konden zich weer volledig op het fietsen concentreren. Ze voelden zich bevrijd van de regenboogtrui, die steeds meer ging knellen en van de kampioen een karikatuur maakte. De wielersport leek de afgelopen jaren besmet met bevlekte truien. De laatste waardige wereldkampioen was Gianni Bugno, die zijn titel van 1991 in 1992 prolongeerde. Bugno staat sindsdien op een voetstuk in Italië.

Van de zes Nederlandse wereldkampioenen bewaart Harm Ottenbros de slechtste herinneringen aan de regenboogtrui. Hij stond en bleef bekend als een eendagsvlieg, hoewel zijn erelijst goed genoeg was voor een plaats in de subtop. Ottenbros profiteerde in 1969 van de tweestrijd in het Belgische wielerkamp. De oude Rik van Looy en de jonge Eddy Merckx gunden elkaar de overwinning niet. Volgens de meeste volgers in de karavaan was de overwinning van Ottenbros een toevalstreffer. Naarmate hij meer in de versukkeling raakte, werd de negatieve beeldvorming versterkt.

“Ik was die dag toevallig wel de sterkste”, herinnert Ottenbros zich. “Of dacht je dat ik 190 renners heb omgekocht. Reken maar dat ze allemaal even graag wereldkampioen wilden worden.” Ottenbros was 24 jaar toen hij de regenboogtrui in bezit kreeg. “Vanaf dat moment liep alles spaak. Ik was veel te onervaren voor een wereldkampioen, maar dat is natuurlijk achterafgepraat. Ik had mijn zaakjes slecht voor elkaar. Ik had geen goede managers die mijn schaapjes op het droge legden. De bedragen die ik toen verdiende, waren ook niet om over naar huis te schrijven.”

In sportief opzicht leed Ottenbros veel gezichtsverlies. In de buitenlandse koersen werd hij uitgefloten. In eigen land had hij moeite met de heldenverering. Toen zijn resultaten tegenvielen, lieten de Nederlandse wielerfans hem prompt “als een baksteen vallen”. Om publicitaire redenen ging hij zesdaagsen rijden, maar als onervaren baanrenner werd hij openlijk te kijk gezet door Peter Post, in die tijd een grootmacht op de piste.

Ottenbros beleefde in 1970 een dieptepunt in zijn wielerloopbaan. “Alles zat tegen. Ik raakte geblesseerd en ik kreeg een raadselachtige darmblessure. Tegelijkertijd reed het hele peloton tegen me. Ik moest maar even laten zien dat ik een waardige kampioen was. Nee, ik was niet rouwig toen ik die trui moest inleveren. Kon ik tenminste weer anoniem mijn rondjes rijden. Maar het oude gevoel is helaas nooit helemaal teruggekeerd.”

Ottenbros wilde na zijn actieve loopbaan niets meer met de wielersport te maken hebben. Hij gooide zijn racefiets letterlijk van de Zeelandbrug in de Oosterschelde. Hij ging scheiden, verliet zijn Brabantse woonplaats Hoogerheide, bewoonde een kraakpand in Dordrecht en deed vrijwilligerswerk in Sliedrecht. Momenteel heeft hij een betaalde baan in een gezinsvervangend tehuis. En hij heeft weer levensvreugde. “Ik ben nu veel gelukkiger dan als wielrenner.”

Na een afwezigheid van twintig jaar wordt Ottenbros, met baard en motor, regelmatig gesignaleerd in wielerkringen. Volgende week zou hij graag naar Valkenburg gaan, maar hij heeft geen uitnodiging ontvangen van de nationale wielerunie KNWU. “Typisch Nederlands om daar niet aan te denken”, zegt hij met een bittere ondertoon. Navraag leert dat bondscoach Gerrie Knetemann tevergeefs op zoek was naar zijn nieuwe huisadres. De wereldkampioen van 1978 belooft de wereldkampioen van 1969 alsnog aan een kaartje te helpen. “Dat zou heel fijn zijn”, zegt Ottenbros bescheiden.

Knetemann heeft altijd binding gehouden met het vaderlandse cyclisme. De voormalige stratenmaker staat bekend als een lolbroek, die ogenschijnlijk geen zorgen heeft. Maar hij had ook moeite met de status van wereldkampioen. Zijn achttien seizoenzeges in 1979 ten spijt. “Dat gewenningsproces heeft maanden geduurd”, zegt Knetemann. “Net toen ik er lol in kreeg, moest ik die trui afstaan. De wereld gaat heel anders tegen je aankijken. Ik voel die ballast als de dag van gisteren. Sinds die tijd heb ik nog meer respect gekregen voor de grote kampioenen. Zij rijden constant in de schijnwerpers en blijven goed presteren.”

Ondanks de slechte voorbeelden uit het verleden, ondanks de verplichting om winkels en buurthuizen te openen, hopen de Nederlandse favorieten Leon van Bon en Michael Boogerd op een heldenrol in Valkenburg. Ze beschouwen de regenboogtrui als een kostbaar bezit, niet als een loden last. “Een échte wereldkampioen hoeft niet bang te zijn voor een terugval”, zegt Boogerd. “Ik heb er alles voor over, zelfs een compleet mislukt seizoen”, zegt Van Bon.