Kwart eeuw samenleving en beleid samengevat

Er heeft zich de afgelopen decennia een revolutie voltrokken in de leefsituatie van de Nederlandse bevolking, aldus het gisteren gepresenteerde Sociaal en Cultureel Rapport 1998. Een terugblik op een kwart eeuw sociale verandering door de ogen van de boekhouders van het beleid.

RIJSWIJK, 1 OKT. Stel dat een Nederlander uit 1970 door een grove schending der natuurwetten pardoes in 1998 terecht zou komen, waarover zou hij zich dan verbazen? Die vraag hanteerde Carlo van Praag, projectleider bij het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), als richtsnoer bij de samenstelling van het jongste Sociaal en Cultureel Rapport. Omdat het SCP dit jaar 25 jaar bestaat, werd de gelegenheid aangegrepen om het elke twee jaar verschijnende boekwerk geheel te wijden aan wat er zoal is veranderd in die jaren.

De files, de congestie in het verkeer. Dat was het eerste wat Van Praag te binnen schoot. “Dat heeft een grote zichtbaarheid. Het is wel spectaculair, maar niet erg fundamenteel.”

Van Praag: “Wat verder opvalt is de bontheid van het straatbeeld. Daar zou je je als bezoeker uit de jaren zeventig wel over verbazen. Allemaal buitenlanders: zijn dat toeristen? Wonen ze hier? Waar komen ze vandaan? Hun aanwezigheid grijpt dieper in: die wijst op een verandering in de sociale structuur.”

Terwijl begin jaren zeventig allerlei bewegingen in volle gang waren om de ongelijkheid in Nederland te verkleinen, is er in de tussentijd een nieuwe ongelijkheid ontstaan. Er is sprake van een nieuwe klasse van mensen die langdurig zijn uitgesloten van de arbeidsmarkt. Die klasse bestaat voor een aanzienlijk deel - hoewel nog altijd minder dan de helft - uit mensen van buitenlandse afkomst.

“Verder natuurlijk computers. Ik bedacht hoe de computer mijn leven heeft veranderd. Hoe zou ik mijn werk kunnen doen als ik er geen had? De hoeveelheid werk die je aankunt is erdoor vergroot. Bij mij is ook het plezier in het werk erdoor vergroot. Het zou een vreemd gezicht zijn voor iemand uit 1970 die hier binnen zou stappen. Die zou vragen: wat doe je met die kleine televisie op je bureau?”

Andere veranderingen, veranderingen die je niet meteen ziet, zijn zeker zo belangrijk. Het gaat dan om sociale processen als individualisering en emancipatie. “Als je uit de jaren zeventig zou zijn gedropt, zou je nu allerlei mensen ontmoeten die alleen leven. Je zou je ook verbazen over de arbeidsverdeling van mensen die wel met zijn tweeën zijn.

“De emancipatie is veel sneller gegaan dan we hadden gedacht, maar ook anders dan we hadden gedacht. Het ging vooral via de arbeidsmarkt. De combinatie van carrière maken, huishouden en kinderen opvoeden vergt passen en meten, brengt in veel gezinnen een grotere drukte met zich mee dan leuk is. De lasten van de emancipatie worden nu vooral afgewenteld op vrouwen: zij moeten voor die combinatie een oplossing vinden. De man heeft in wezen een vrijstelling. Dat is alleen echt op te lossen met deeltijdwerk. Ik denk dat dat een soort dwang vergt. Dat is lastig te bewerkstelligen.”

Van Praag dacht verder over de verbazing van de tijdreiziger en het werd steeds moeilijker. Veel zou toch vertrouwd overkomen. “Het Sociaal en Cultureel Rapport gaat over beleidssectoren, niet over hoe mensen met elkaar omgaan. Daarover kun je wel vragen stellen. Zou iemand met de omgangsvormen uit de jaren zeventig nu uit de toon vallen? Zou hij zich amuseren op een feestje? Er is sprake van een onmiskenbare informalisering die niet meer terug te draaien is. Voorzover het lijkt alsof er een terugslag plaatsvindt in die ontwikkeling, gaat het toch meer om decorum. Pakken dragen op het werk hoort bij een bepaalde rol, niet meer bij de persoon.” Het rapport, met achthonderd pagina's dikker dan ooit, laat het tijdreizigersperspectief al na een enkele alinea varen. De hoofdstukken, die nagenoeg allemaal één beleidsterrein bestrijken, bevatten vooral degelijke maar saaie opsommingen van beleidsnota's en statistieken, en in sommige gevallen theoretische uitwijdingen. “De auteurs verslaan het proces dat ze beschrijven vaak al jaren”, constateert Van Praag. “De spontane verbazing is er dan wel af.”

Door de sectorale en beleidsgerichte opzet zal een Marsmannetje dat uit het rapport een indruk wil krijgen van ontwikkelingen in de Nederlandse samenleving, een merkwaardig en gefragmenteerd beeld opdoen. Waarom staan er bijvoorbeeld geen foto's in het rapport? Hoe kun je nu 25 jaar sociale verandering beschrijven zonder foto's van mode, straatbeeld, etcetera? Van Praag: “Dan zou het rapport nog dikker worden. Onze foto's zijn tabellen en grafieken. In 1976 stond er een groepsportret op de cover. We zagen het rapport toen als een groepsportret van Nederland. Nu niet meer. Het is meer een encyclopedie van samenleving en beleid, met vooral heel veel beleid. Dat is ook onze opdracht. Dit jaar hebben we voor het eerst een ondertitel, '25 jaar sociale verandering'. Dat is toch iets pakkender dan alleen Sociaal en Cultureel Rapport 1998.”

In het rapport staan ook vrijwel geen kaartjes. De lezer krijgt de indruk dat Nederland in geografisch opzicht een volstrekt homogeen land is. “Die klacht krijgen we ook wel van provincies en gemeenten”, aldus Van Praag. “We komen daar eenvoudigweg niet aan toe. Dat klinkt erg defensief; anderzijds ís Nederland een betrekkelijk homogeen gebied. Er is niet zo veel verschil tussen Zoetermeer en het Friese platteland. Alleen de grote steden springen eruit, niet eens zozeer door een andere levenswijze, maar door een andere bevolkingssamenstelling.”

Het Sociaal en Cultureel Rapport is dan ook niet voor Marsmannetjes bedoeld, en eigenlijk ook niet voor 'gewone mensen'. “Ik zou niemand willen aanraden het in zijn geheel te lezen. Het is voor sociale-zekerheidsexperts die iets over volkshuisvesting willen weten, voor onderwijsdeskundigen die meer van justitie willen weten. Het is ook een handig overzicht voor wie een verhaal over Nederland moet houden voor een buitenlands gehoor. Omdat ik de inleiding moest schrijven, stond ik voor de taak om wél het geheel te beschouwen. Maar dat zou je journalisten eigenlijk moeten besparen. We hebben er wel over gedacht om een populaire versie te maken, maar dat is niet onze taak. Wij moeten het beleid voorzien van informatie.”

Die informatievoorziening verloopt in nauw overleg met de beleidsmakers zelf. Er wordt vergaderd over wat erin komt, conceptversies worden besproken met betrokken ambtenaren. Dat leidt wel eens tot wrijvingen, en ook tot bijstellingen. “Vooral als we ons kritisch uitlaten over een kwestie die net politiek gevoelig ligt.” Dit speelde nu onder meer bij onderwijs, waar de ambtenaren wat optimistischer waren gestemd over het studiehuis dan het SCP. “In zulke gevallen moeten we proberen elkaar te vinden, want een onafhankelijk scheidsrechter is er niet. Zulke geschillen gaan overigens zelden over de feiten zelf, altijd over de interpretatie. Soms krijgen we te horen dat we alleen mogen schrijven wat we op basis van harde empirische feiten kunnen bewijzen, maar daar zijn we nooit voor gezwicht. Als je wat interessants wilt zeggen, zit je altijd op de grens van feiten en interpretatie.”

Uiteindelijk wordt een concept van het rapport zelfs in de ministerraad besproken. Daarna wordt het eerste exemplaar aangeboden aan de premier. Is dat geen rare figuur? Van Praag: “Dat ís ook een rare figuur. Het is het enige rapport van ons waarmee dat gebeurt. Als we per se een ei kwijt willen, kan het dus ook in een ander rapport. Eigenlijk hebben we een soort deal met de regering: jullie mogen het rapport marginaal beoordelen, maar als je het goed vindt willen we wel een stempeltje. Hun inzet is: wij willen zo'n rapport van een bureau dat onafhankelijk is, maar dat toch niet zo maar alles schrijft wat in ze opkomt.”