Israel onderzoekt al langer werking chemische wapens

Wat wilde Israel met de lading DMMP, grondstof voor onder meer het dodelijke Sarin, uit de El Al-Boeing?

ROTTERDAM, 1 OKT. Welk gebruik het Israel Institute for Biological Research had willen maken van de met de neergestorte El Al Boeing vervoerde 240 kilo dimethyl methylfosfonaat (DMMP) is onbekend. DMMP is bekend als het meest gangbare uitgangsmateriaal voor de productie van het zenuwgas Sarin, maar het kent ook andere toepassingen. Het onder het ministerie van Defensie resorterende IIBR is met 320 medewerkers een middelgroot instituut dat qua taak en onderzoek goed vergelijkbaar is met TNO's Prins Maurits Laboratorium in Rijswijk (dat vroeger ook onder 'Defensie' resorteerde). Onderzoekers van TNO, dat overigens uitsluitend defensief onderzoek doet, werken en publiceren regelmatig samen met onderzoekers van het IIBR. Het IIBR-onderzoek noemen zij van zeer hoog niveau.

Een hoeveelheid van 240 kilo DMMP heeft geen militaire betekenis en is ook te gering om eruit te kunnen afleiden dat Israel een industriële productie van Sarin heeft (tenzij met élke EL AL-vlucht een partij DMMP werd meegegeven). De Nederlandse handelsbedrijven KBS in Terneuzen en Melchemie in Arnhem leverden tussen 1983 en 1985 vele tonnen grondstoffen voor de productie van mosterdgas of Sarin aan Irak. Anderzijds is 240 kilo te groot voor het soort defensief onderzoek naar zenuwgassen dat gangbaar is en was in NAVO-landen. Het valt niet helemaal uit te sluiten dat het helemaal niet de bedoeling was van het IIBR om DMMP om te zetten in Sarin, maar dat de stof als zodanig als 'simulans' voor Sarin in allerlei oefeningen en beproevingen (zoals die van gasmaskers) moest worden gebruikt, want qua fysische eigenschappen ontlopen DMMP en Sarin elkaar niet zoveel. Deskundigen lijken dit niet erg waarschijnlijk te vinden.

Dit houdt de mogelijkheid van een offensief onderzoek open. Geruchten dat Israel chemische wapens ontwikkelt of zelfs produceert, zijn al oud. De Amerikaanse onderzoeksjournalist Seymour Hersh meldde in het boek 'The Samson option' (1991) hoe Israelische deskundigen al in de jaren zestig in de Algerijnse woestijn Franse proeven met chemische wapens bijwoonden. Amerikaanse kranten hebben beweerd dat Israel een fabriek voor chemische wapens, verhuld als pesticidenfabriek, bij de geheime kernreactor van Dimona in de Negev-woestijn in bedrijf heeft. In dat verband wordt wel het bedrijf Machteshim van het Ramat Hovav-complex genoemd. In maart 1991 verklaarde admiraal T.A. Brooks, toen hoofd van de US Naval Intelligence, voor een Congrescommissie dat buiten de landen van de NAVO en die van het voormalige Warschaupact waarschijnlijk veertien landen in het bezit waren van een 'offensive chemical warfare capability'. Hij noemde Irak, Iran, Syrië, Libië en Egypte, maar - voor het eerst - ook Israel. Hij legde niet uit wat hij onder 'capability' verstond. Sinds maart 1991 mogen Amerikaanse bedrijven gevoelige chemicaliën als DMMP alleen nog zonder licentie exporteren naar landen van de Australië Groep, waartoe Israel niet toe behoort. Van één buurland van Israel is volstrekt zeker dat het chemische wapens produceerde: het offensieve programma van Irak is dankzij de inspanningen van de speciale VN-commissie UNSCOM tot in detail in kaart gebracht. Irak produceerde mosterdgas, Sarin en VX en had een reeks granaten en bommen met deze stoffen geladen toen in januari 1991 de Golfoorlog uitbrak. Over de inspanningen en vorderingen van Israels andere buren is minder bekend. De Britse expert Julian Perry Robinson geeft in een studie alleen wat bijzonderheden over Iran en Syrië. Beide landen zouden zenuwgaswapens hebben