Het studiehuis komt niet

De overheid beschikt niet over de extra middelen voor het instellen van een mooi studiehuis, denkt Ton van Haperen. Het studiehuis komt er dan ook niet, het wordt hooguit een krappe leerhut.

De eerste maand van het nieuwe schooljaar heeft een heuse onderwijsdiscussie opgeleverd. Op de opiniepagina's van elk zichzelf respecterend dagblad zijn de degens gekruist door scribenten van velerlei pluimage. Allen probeerden zij hun gelijk te halen in een richtingenstrijd over het studiehuis. Aanleiding voor dit schijngevecht is de invoering van deze vernieuwing. Een vierde deel van de middelbare scholen is in september begonnen. Een verandering in ons onderwijs die leidt tot een uitwisseling van meningen in de media, het lijkt logisch. Toch doet de druktemakerij rond het studiehuis op zijn zachtst gezegd nogal opportunistisch aan.

De plannen en ideeën bestaan al jaren en de laatste politieke knopen zijn in 1997 doorgehakt. De strijdende partijen weten echter van geen ophouden. Voorstanders stellen dat een veranderende samenleving om nieuw onderwijs vraagt, er moet meer aandacht komen voor zelfstandigheid en vaardigheden. Tegenstanders zien hier niks in, zij menen dat vaardigheden niet zonder kennis kunnen. Het begrip zelfstandigheid stemt hen evenmin tot vrolijkheid. Zij zijn bang dat met name jongens uit lagere milieus de dupe zullen zijn van experimenten met dit begrip. Na deze argumenten volgen dan meestal karikaturale beschrijvingen van het onderwijs nu en in de toekomst. Afsluitend worden dan nog wat wetenschappelijke onderzoeken uit de kast getrokken en het verhaal is verteld.

Wat opvalt in deze twist is dat alle betrokkenen de onderwijspraktijk van alledag slecht kennen. Allemaal maken ze dezelfde denkfout, ze gaan er vanuit dat studiehuis en Tweede Fase synoniemen zijn. Dit is echter onjuist. Elke school is verplicht de vrije pakketkeuze zoals die nu nog bestaat in te ruilen voor de Tweede Fase profielen, maar niemand hoeft het studiehuis in te voeren. Inrichting van de school is een vrije keuze. De staat schrijft nog steeds niet voor hoe leraren zich vakdidactisch en onderwijskundig dienen te gedragen. Er blijft ruimte voor Dalton-, Montessori-, Vrije- en traditionele scholen. Voeg daarbij het beleid van de laatste tien jaar en de conclusie dat er niet zoveel aan de hand is, is snel getrokken.

Als in Nederland het nationaal inkomen stijgt, dalen de onderwijsuitgaven als percentage van dat inkomen. Bij een economische terugval wordt hard op de rem getrapt om datzelfde percentage niet te laten toenemen. Vernieuwing is heel leuk, maar met de verkleining van de klassen in het basisonderwijs en de te verwachten aanpassing van salarissen aan de krappe markt is het geld op. Er zijn geen extra middelen die scholen in de gelegenheid stellen een mooi studiehuis in te richten. Het komt er dan ook niet, het wordt hooguit een hele krappe leerhut. Een onderwijsinstelling die meent zich van dit soort zwartkijkerij niks te moeten aantrekken en overgaat tot het construeren van een in beleidsnota's beschreven ideaaltype van modern onderwijs, zal extreem gemotiveerd dienen te zijn. Eenvoudig rekenwerk toont dit aan. Leerlingen krijgen in de Tweede Fase een aantal studiebelastingsuren, die uren kunnen via een door de school zelf vast te stellen omrekeningsfactor omgezet worden in 'lessen'.

Hoe hoger die omrekeningsfactor, hoe meer betaald contact tussen leraren en leerlingen. Die factor kan binnen het huidige bekostigingssysteem omhoog door schaalvergroting en de klassen in de onderbouw propvol te stoppen. In het huidige stelsel staat tegenover 25 leerlingen 1 leraar, wat impliceert dat elke klas boven 25 bespaart. Een grote scholengemeenschap met heel veel van die klassen kan investeren in het studiehuis, in de vorm van een breed aanbod van vakken en veel begeleiding. Wel moet de directie dan aan het personeel uitleggen waarom de onderbouw VBO/Mavo les krijgt in groepen boven de dertig. Even voor de duidelijkheid: het studiehuis wordt dan gefinancierd door de taak van de leraar met de moeilijkste en maatschappelijk meest kwetsbare leerlingen te verzwaren. Een keuze waar niet eenvoudig een meerderheid voor te vinden zal zijn. Maar er is meer.

Als de studiebelastingsuren van de leerling zijn omgerekend naar onderwijscontact per jaar, dan wordt dat getal gedeeld door veertig, waarmee het aantal lessen per week bepaald is. Een jaar heeft voor een leerling namelijk veertig lesweken. Bij leraren worden dezelfde sommetjes gemaakt, maar dan om te kijken hoeveel lessen gegeven moeten worden. Ook dan wordt het jaartotaal gedeeld door het aantal lesweken, alleen zijn dat er voor een leraar zesendertig. Heel logisch, een leerling krijgt te weinig lessen en een leraar geeft er te veel, dat is namelijk het goedkoopst. Dit betekent natuurlijk wel dat leraren harder werken dan afgesproken en leerlingen wel erg veel zelfstandig moeten uitzoeken.

In deze context van creatief boekhouden en armoede wordt de Tweede Fase met haar profielen ingevoerd. Maar het kan nog schraler. Modern onderwijs vraagt om hedendaagse leermiddelen. De politiek erkent dit en belooft computers. Die komen niet, want ze zijn te duur. Dan maar geen eigentijds materiaal. Dit is nog niet zo erg - wat er nooit geweest is, kan niet gemist worden. De misère breekt echter definitief door als een paar leraren ziek worden. Vervangers zijn namelijk niet te vinden, waardoor de taak van het zittend personeel zwaarder wordt. Directies leven ondertussen met het besef dat een teruggang in leerlingen een verkleining van het budget inhoudt en doen aandoenlijk hun best de moed erin te houden.

De uitkomst laat zich raden. Er wordt zeer beperkt gestudiehuisd in Nederland. Een school met personeel dat al jaren redelijk effectief op een traditionele manier werkt, blijft doen waar het goed in is, het verzorgen van klassikaal onderwijs. Radicale verandering heeft namelijk een ontwrichtende werking op het broze interne evenwicht. Bij verbreking ontstaat een sfeer van onduidelijkheid, met als gevolg ruziënd personeel, een hoog ziekteverzuim en lage punten op de kwaliteitskaart. Allemaal factoren die een slechte invloed hebben op de aanmeldingscijfers. Natuurlijk, op alle scholen is wel een uurtje onderwijskundig correct-zelfstandig-werken ingeroosterd en die paar computers worden ook wel eens aan- en uitgezet, maar daar blijft het voorlopig bij. Dat het allemaal een beetje tegenvalt is sneu voor mensen die zich met hart en ziel hebben ingezet voor verandering. Zij hebben zich laten foppen.

In eerste instantie hadden leraren bij het studiehuis visioenen van zelfstandig werkende leerlingen die onderzoekend vanuit hun intrinsieke motivatie het examen halen. Hun liefde voor de vernieuwing kwam voort uit een 'alles beter dan dit' gevoel. Taakverlichting was de reden dat zij het idee omarmden. Een beetje naïef, want ook zij hadden kunnen weten dat evenveel leerlingen en evenveel leraren dienaangaande niks oplevert.

Anderzijds kan niet ontkend worden dat zij belazerd zijn doorbeleidsmakers. Mevrouw Lambrechts, onderwijsspecialist in de Tweede Kamer voor D66, schrijft doodleuk in De Volkskrant dat ze voor dit studiehuis nooit gestemd heeft, waarmee ze zich verschuilt achter het wel erg goedkope 'gebrek aan informatie'. Mevrouw Visser 't Hooft, lid van de taakgroep die door Onderwijs is ingesteld om onder meer de invoering van het studiehuis te begeleiden, is niet veel origineler. Zij liet Vrij Nederland weten teleurgesteld te zijn in de politiek, omdat die geen geld over heeft voor haar speeltje. Dit kan voor haar anders geen nieuws zijn, studiehuis en budgettair neutraal zijn door minister en staatssecretaris altijd in één adem genoemd. Visser 't Hooft en Lambrechts huilen krokodillentranen en creëren zo een nieuwe groep gefrustreerde leraren. Of de achterliggende ideeën van het studiehuis goed of slecht zijn, dat doet er al lang niet meer toe. Het probleem is dat ze maar heel beperkt uitvoerbaar zijn.

Op deze manier doet onderwijsvernieuwing denken aan een zwerver die een volle kroeg binnenstapt. Met zijn smoezelige handen legt hij een vijf guldenstuk op de bar en bestelt luidkeels een rondje voor de hele zaak. Hij ziet er een beetje zielig uit.