Een jurk van allure

Begin december 1936 ontdekte ik hem voor het buitensporige bedrag van honderd gulden in de feestelijke kerstetalage van Gerzon: een lange, strakke jurk, van zwarte velours met een subtiele goudglans en een kort sleepje. De half over de bovenarmen vallende volant aan de voorzijde gaf hem iets ingetogens, waardoor het onverwachte contrast met de zeer laag uitgesneden rug des te verrassender was. Door zijn ongewone stijl en allure, die hem duidelijk van de andere avondtoiletten onderscheidden, bleef ik geboeid en spijtig naar hem kijken, als naar iets waarvan je weet dat je het nooit zult bezitten.

Groot was dan ook mijn verbazing toen ik acht maanden later, in de zomeropruiming, opnieuw met hem werd geconfronteerd in de etalage van hetzelfde modemagazijn en hij blijkens het eraan gehechte kaartje tot vijfentwintig gulden was afgeprijsd. Ofschoon ook dit voor mij een klein vermogen was, begon er onmiddellijk iets in mij te jubelen en zweefde ik in een roes van verstandsverbijstering met de lift naar de confectieafdeling, waar ik, denkend aan de twee rijksdaalders waarmee ik de stad was ingegaan en me koortsachtig afvragend waar ik de acht andere vandaan zou halen, gefascineerd mijn gedaanteverandering in de paskamer gadesloeg. Om tijd te winnen draaide ik kritisch voor de spiegel rond, terwijl de verkoopster het onbereikbare wonder van geraffineerde eenvoud meende te moeten aanprijzen als 'een enkel stuk' en 'een exclusief model' dat ten onrechte in de uitverkoop was beland omdat het sleepje, afgezien van het 'weinig courante Franse maatje', voor de meeste dames een onoverkomelijk ongemak was gebleken. Intussen beijverde zij zich mij niet alleen het lusje aan dit ongemak te tonen, waardoor het met één vinger kon worden opgeheven, maar mij er ook op te wijzen hoe de volant, tegen de hals teruggeslagen, een decolleté met minuscule schouderbandjes vrijliet.

Nadat ik mij roekeloos had verplicht het resterende bedrag nog dezelfde middag te komen brengen, betaalde ik de twee rijksdaalders vooruit en spoedde mij regelrecht van de Korte Hoogstraat naar de Witte de Withstraat, waar ik in het gebouw van de Nieuwe Rotterdamsche Courant de redactiekamer van Victor van Vriesland binnenviel, met wie ik sinds ik hem een paar jaar tevoren mijn eerste verhalen had aangeboden een verhouding onderhield, en die zonder zijn ogen van de drukproeven op zijn bureau af te wenden verstrooid naar mijn opgewonden relaas luisterde.

Zoals ik al vreesde, ging hij niet in op mijn verzoek om een voorschot van twintig gulden op mijn nog te schrijven bijdragen, terwijl hij zelf evenmin over voldoende middelen bleek te beschikken. Ten overvloede voegde hij er wrevelig aan toe dat ik hem niet voor zoiets volstrekt onbelangrijks als de aankoop van een jurk diende te komen storen, waarna het langzaam tot mij doordrong dat ik het zo fel begeerde kledingstuk wel kon vergeten. Toen ik me behoedzaam uit mijn stoel oprichtte om zo stil mogelijk te verdwijnen, hield hij me zonder van zijn werk op te zien met een handbeweging tegen, legde zuchtend het rode correctiepotlood neer en verliet met opgetrokken schouders de kale ruimte met het eeuwige geratel van de zetmachines op de achtergrond teneinde, zoals ik tot mijn schaamte begreep, het ontbrekende bedrag van zijn collega's te lenen.

De volstrekt onbelangrijke aankoop droeg achteraf echter zozeer Vics goedkeuring weg dat hij mij voorstelde deze in een passende omgeving ten doop te houden en ter gelegenheid van zijn verjaardag in Hotel Bristol te gaan eten, waar ik nooit eerder was geweest. Diezelfde middag bezorgde Bourguignon bij mijn ouderlijke woning een doorzichtig doosje met op een bedje van vochtige watten een sneeuwwitte gardenia, die ik tegen de hals van mijn glanzende creatie speldde. Mijn binnentreden in de huiskamer deed mijn vader onthutst van zijn krant opkijken, terwijl mijn moeder geschrokken uitriep: 'Kijk nou eens, ze heeft er niets onder aan!'

Dankzij het feit dat ik me, alvorens Vic op te halen, met de door hem bestelde taxi van de Ravero - de centrale waarbij hij een rekening had, omdat hij beweerde zelden een dubbeltje voor de tram op zak te hebben - naar de studio van Van Oudgaarden liet brengen, is de getrouwe weergave van de jurk met corsage en al bewaard gebleven. Want gezien mijn verschillende bijverdiensten, waaronder ook het poseren voor deze fotograaf, in wiens uitstalkast aan de Bergweg menigmaal mijn beeltenis als blikvanger tussen de bruids- en familiefoto's prijkte, had ik hem reeds dagen van tevoren op de mogelijkheid gewezen mij in mijn nieuwste aanwinst te portretteren, hetgeen met het oog op de wachtende auto snel zou moeten gebeuren.

Behalve die eerste keer in Bristol, waar een beschaafd gegons van stemmen de duurte van het restaurant accentueerde en de obers zich, in bijna dezelfde smoking als Vic, geruisloos rond de tafeltjes bewogen, terwijl er tijdens het diner op een kleine parketvloer bij een deels achter palmen schuilgaand strijkje werd gedanst, heeft de jurk nog ontelbare keren zijn dienst bewezen.

Zo ook die onvergetelijke avond bij de feestelijke opening van de tentoonstelling 'Moderne Belgische Kunst' in het Stedelijk Museum, toen Vic en ik al twee jaar getrouwd in Amsterdam woonden. Na afloop waren we met een stel Belgische vrienden afgezakt naar De Kring, waar de rest van de nachtelijke uren zoals gewoonlijk met praten, drinken en dansen werd doorgebracht, tot Henk Kersting, correspondent van Associated Press, doodsbleek uit de telefooncel te voorschijn kwam en riep dat de Duitsers waren binnengevallen.

De laatste keer dat ik mijn trofee uit de etalage van het Rotterdamse Gerzon heb gedragen was op het eerste Boekenbal na de oorlog in het Concertgebouw, toen Vic en ik er, pas gescheiden, allebei met een ander waren. Het zal wel aan het verblijf van vijf jaar in een donkere kast hebben gelegen dat de zwarte velours aan glans had verloren en het sleepje, waarop zo dikwijls door onoplettende voeten was getrapt, een enigszins doffe en versleten indruk maakte.

Kort daarop heb ik de mooiste en gedenkwaardigste jurk die ik ooit heb gehad, en waarin ik mij dikwijls zo blij en fier heb gevoeld, weggegeven. Ik weet niet eens meer aan wie.