Argwaan en emotie

“EEN PUZZEL waarvan bijna de helft van alle stukjes zoek is en die stukjes die nog wel aanwezig zijn, voor de helft, voor het merendeel zwaar zijn beschadigd.” Zo karakteriseerde onderzoeker Wolleswinkel bijna vijf jaar geleden het onderzoek naar de Bijlmerramp. Deze gebeurde op zondag 4 oktober 1992 om iets over half zeven. Bijna een kwartier na de start verongelukte vlucht LY 1862, een Boeing 747 vrachtvliegtuig van de Israelische luchtvaartmaatschappij El Al, en stortte neer op de flatgebouwen Kruitberg en Groeneveen in de Bijlmer.

Van meet af aan voerden argwaan en emotie in de media de boventoon, zoals de onderzoeker opmerkte. Is het een wonder? Al direct riep de rampvlucht ernstige vragen op. Telkens weer bleken de gegeven antwoorden “onvolledig of onjuist”, zoals de parlementaire werkgroep vliegramp Bijlmer eerder dit jaar constateerde. Deze werkgroep buigt zich over de vraag of een parlementaire enquête moet worden ingesteld.

De vragen betroffen allereerst de vracht van de ramp-Boeing. Het verongelukte vliegtuig had bij de start 72 ton brandstof aan boord en 114,7 ton vracht. Het actuele startgewicht was 338,3 ton, het maximaal toegelaten gewicht 396,2 ton. “Het vliegtuig was dus niet te zwaar”, berichtte minister Maij-Weggen (Verkeer en Waterstaat) enkele dagen na de ramp de Tweede Kamer. Dat was niet het hele verhaal. Aanvankelijke mededelingen over de inhoud - parfum, machine-onderdelen (vooral tandwielen) - werden later bijgesteld. Er waren in de VS ook militaire spullen geladen.

NU BLIJKT WAT die zoete geur rond Kruitberg en Groeneveen te betekenen had: er waren ten minste tien vaatjes grondstof voor gifgas aan boord. Argwaan en emotie zijn dan niet zo onverklaarbaar. In elk geval was het misplaatst dat minister Jorritsma, die het Bijlmerdossier van Maij-Weggen overnam, in april 1995 de verontruste politici verweet zich “mee te laten slepen in een welhaast paranoïde situatie”. Met dat soort verbaal geweld komt de regering nu niet meer weg. De aandrang tot een parlementaire enquête - waar verklaringen onder ede worden afgelegd - is na de jongste onthullingen wel zeer moeilijk te weerstaan.

Dat de Kamer zelf sinds 1996 beschikte over de ruwe informatie (in de vorm van allerlei vrachtpapieren) om te concluderen dat er griezelig spul aan boord was, stemt tot bescheidenheid in de besluitvorming over de enquête. Maar hoofdzaak is toch dat de regering herhaaldelijk inadequaat antwoord heeft gegeven op de vragen over de vracht, tot de nieuwe minister Netelenbos aan toe die gisteren doodleuk op de televisie verklaarde dat ze geen mensen had voor het onderzoek van de vrachtdocumenten dat de aanwijzing voor sarin heeft opgeleverd. Het kaliber van dit gifgas geeft wel aan in welke richting de verklaring voor het gedraai en getreuzel moet worden gezocht: de speciale relatie met Israel, om maar te zwijgen over de spreekwoordelijke life line van dat land met de Verenigde Staten.

DE BELANGEN op het terrein van de staatsveiligheid die hiermee zijn gemoeid, vormen een praktische barrière voor een parlementaire enquête. Aan de andere kant is het ook wel eens goed de grenzen van het staatsgeheim wat preciezer te verkennen. De rechten van een parlement moeten telkens worden beproefd om levend te blijven. Naast de vragen en twijfels over Verkeer en Waterstaat (en Volksgezondheid) kan de enquête trouwens juist mede aan het aspect van Buitenlandse Zaken zijn zin ontlenen. De tijden zijn veranderd sinds die oude life line. Hoe moeizaam het ook gaat, de Europese component is uit het buitenlandse beleid niet meer weg te denken. Wat betekent dit voor de speciale relatie?