Voor China is acht pct groei bijna heilig motto

De wereld speculeert volop over de economische groeikracht van China. De Chinese regering garandeert ondanks de economische crisis, de desastreuze overstromingen en de hoge werkloosheid een groei van acht procent. Maar wat betekenen de cijfers en hoe betrouwbaar zijn ze?

PEKING, 30 SEPT. Het realiseren van streefcijfers is in China geen kwestie van kunnen, maar van willen. “Als de Chinese regering acht procent economische groei wenst, gebeurt dat”, zegt Li Yiyuan. Daarin verschilt China volgens de Chinese econoom fundamenteel met het Westen. “In de wereld van de vrije markt zijn prognoses gebaseerd op de feiten. In China worden streefcijfers gerealiseerd omdat die door de staat zijn voorgeschreven.

Ongeacht de kosten. Daar valt niet aan te tornen.''

'Baoba', 'bescherm de acht', is in China de afgelopen maanden een bijna heilig motto geworden. Acht procent economische groei (na 8,8 procent in 1997 en 13,4 procent in het piekjaar 1994) moet, zo heet het, omdat anders de Chinese economie zozeer ontwricht raakt dat voor 's lands sociale stabiliteit moet worden gevreesd. De staatsmedia hebben breed uitgemeten welke offers China voor het behoud van die groei moet brengen. Devaluatie gaat het uit de weg om de toch al gehavende Aziatische regio niet verder schade te berokkenen en de Chinese overheid tast diep in haar beurs om de economie nieuwe impulsen te bezorgen. Ondanks bijkomende omstandigheden, zoals “de grote verliezen”, veroorzaakt door de omvangrijke overstromingen afgelopen zomer, garandeert Zeng Peiyan, minister van de Staatscommissie voor ontwikkeling en planning, dat het groeicijfer voor 1998 wel degelijk acht procent zal bedragen.

Economen, binnen en buiten China, hebben hun twijfels. Li: “Het afgelopen half jaar bedroeg de groei zeven procent. Om acht procent te behalen, moet tot het einde van het jaar tenminste negen procent worden gerealiseerd. Maar in de maand augustus was de groei net onder de acht procent.” Twijfelt Li, die als hoogleraar kwantitatieve economie aan de Qinghua universiteit van Peking zijn cijfers op een rijtje heeft, behalve aan de haalbaarheid ook aan de waarde van die getallen? “Het hangt er van af wie de statistieken meldt. De regering weet ook dat lokale overheden in hun rapportage vooral rekening houden met het plaatselijk belang.” Tijdens de overstromingen bijvoorbeeld, zouden sommige regio's extra schade hebben gemeld, in de hoop meer steun te ontvangen.

Anderen berichtten juist minder schade omdat zij de indruk zouden hebben willen wekken dat het de regio goed gaat in de hoop dat ondernemers vooral blijven komen.

“Het is niet eenduidig”, zegt Li. De centrale overheid verzamelt om die reden haar eigen gegevens. “Je kunt grofweg stellen dat alles wat voor de komma staat klopt. Dat wat erachter staat, bevat een hoog gehalte 'shuifen' (mist). Het is onbetrouwbaar.”

De belangrijkste maatregel die de Chinese overheid heeft getroffen om de acht procent groei te benaderen, is het injecteren van de economie met omvangrijke infrastructurele projecten. Die moeten worden bekostigd door middel van de uitgifte van staatsobligaties. State councillor Wu Yi kondigde deze maand aan dat de overheid haar oorspronkelijke driejarenplan van 1,5 biljoen (1.500 miljard) gulden aan infrastructurele uitgaven zal verhogen naar 2,4 biljoen gulden. Peking stelde tevens obligaties ter waarde van 25 miljard gulden beschikbaar aan China's commerciële staatsbanken, die “levensvatbare projecten” moeten bekostigen “die de economische groei garanderen.”

De Chinese autoriteiten hebben zich dezer dagen op de borst geklopt voor wat zij noemen “de vooruitstrevendheid van de centrale regering.” Haar onmiddellijke reactie op de economische crisis in Azië zou erger hebben voorkomen. De maand augustus zou eindelijk hebben aangetoond dat het investeringsbeleid resulteert in een opwaartse economische groei. De investeringen in kapitaalgoederen stegen die maand met bijna 27 procent in vergelijking met dezelfde periode het jaar daarvoor. En dat terwijl dit jaar, in de eerste acht maanden, de groei 17,4 procent was. De industriële productie bedroeg aan het einde van de maand 300 miljard gulden, 7,8 procent meer dan in 1997.

Economen betwisten het vertrouwen dat China heeft in zijn vermogen voldoende inkomsten te vinden om het uitgavenbeleid te handhaven tot het moment dat de Chinese export weer stabiliseert. Ondanks een groei van China's handelsoverschot van bijna tien miljard gulden in augustus, bleek die groei 2,9 procent lager dan in 1997. Het handelsoverschot voor de eerste acht maanden bedroeg 62 miljard gulden. De export van China naar Japan, 's lands belangrijkste handelspartner, daalde in de eerste helft van het jaar met 4,3 procent, naar 27 miljard gulden. En nog zorgelijker is de dramatische daling met een derde van de Japanse investeringen in China over de eerste zes maanden van dit jaar.

De opdracht tot de repatriëring van tegoeden in het buitenland van Chinese handelsondernemingen is veelbetekenend. Die bedrijven zijn nu verplicht hun deviezen in het buitenland vóór 1 oktober onder te brengen bij banken in China. Peking geeft als reden voor de verordening de uitvoering van al bestaande regelgeving, maar buitenlandse economen zien hierin de angst die in China bestaat voor een kapitaalvlucht en zijn toenemende moeite de nog altijd omvangrijke deviezenreserve van 280 miljard gulden op peil te houden.

Sommige economen hebben kritiek op de buitensporige concentratie van de Chinese overheid op infrastructurele overheidsprojecten als belangrijkste groeimiddel. Zij wijzen op het feit dat met name de privé-sector en in mindere mate collectieve ondernemingen, essentiële stuwkracht geven aan de Chinese economie. Niet-staatsbedrijven, die inmiddels tweederde van China's BNP bepalen, creëren de meeste banen en absorberen het leeuwendeel van het zorgelijke overschot aan afgevloeide staatsarbeiders. De kostbare infrastructurele projecten zouden volgens de Amerikaanse econoom Charles Wolf maar liefst veertig procent van 's lands beschikbare fondsen voor investeringen weg-eten en de kansen voor de financiering van duurzame en levensvatbare projecten van zelfstandige en colletieve ondernemers aanzienlijk verkleinen.

“Als het gaat om het creëren van banen en het aantonen van groei, dan heeft het aanleggen van een weg die nergens naar leidt dezelfde kortetermijneffecten als het aanleggen van een weg naar een bestemming”, schreef Wolf in juli in de Asian Wall Street Journal. “En zo heeft een nieuw gebouw waarvoor kopers of huurders in de rij staan, hetzelfde kortetermijneffect als een gebouw zonder kopers - zoals het groot aantal 'doorzichte' kantoorflats die de indrukwekkende, maar lege skyline van Pudong (in Shanghai) en Shenzhen bepalen. Belangrijker nog, het ontbreken, bij de toewijzing van China's infrastructurele plannen, van investeringscriteria die op een behoefte van de markt zijn gebaseerd, nodigen uit tot politieke beslissingen en corruptie.”

Wolf en andere economen geloven dat de liberalisering van China's markt, zoals meer vrijheid aan niet-staatsondernemingen bij het verkrijgen van leningen en het opzetten van nieuwe projecten, zullen resulteren in een duurzamere groei dan de groei die wordt bereikt door China's huidige staatsgeleide investeringsmanie. Dat is een mening waarin ook de Chinese econoom Li zich kan vinden. “Het dogmatische verlangen naar 'de acht' is verkeerd”, zegt hij. “Lage economische groeiprognoses die zijn gebaseerd op de feiten, hebben veel meer waarde dan hoge prognoses die bestaan uit een flinke portie lucht en verlangen.”