Jan van de Pavert ontvangt Heinekenprijs voor neomodernistische pastiches; 'Het postmodernisme is krankzinnig'

Sommigen denken dat de kunstenaar Jan van de Pavert met zijn gevels en huisjes kritiek wil leveren op de Nederlandse buitenwijken uit de jaren zestig. Dat is een misverstand: ze zijn juist een ode aan het modernisme. Onlangs kreeg Van de Pavert er de Dr. A.H. Heinekenprijs voor.

Jan van de Pavert: Huis Tape Muur. T/m 18 oktober in Arti et Amicitiae, Rokin 112, Amsterdam. Di t/m vr 12-18u, za en zo 12-17u. Catalogus ƒ 30,-.

AMSTERDAM, 30 SEPT. Het nieuws dat hij honderdduizend gulden had gewonnen, werd hem heel voorzichtig over de telefoon verteld. Beeldend kunstenaar Jan van de Pavert (1960) had geen flauw benul dat hij op voordracht van de museumdirecteuren Sjarel Ex en Evert van Straaten was genomineerd voor de Dr. A.H. Heinekenprijs voor de Kunst. De vorige winnaar, vormgever Karel Martens dacht twee jaar geleden dat iemand een flauwe grap met hem had uitgehaald, vandaar die voorzichtigheid. Vorige week ontving Van de Pavert de tweejaarlijkse oeuvreprijs uit handen van een lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en opende de bijbehorende tentoonstelling Huis Tape Muur in het Amsterdamse Arti et Amicitiae.

Van de Pavert werd bekend met zijn architectonische modellen en tekeningen van woonhuizen, geïnspireerd op de modernistische bouwkunst uit de jaren twintig van bijvoorbeeld De Stijl, Mies van der Rohe en Le Corbusier. Hij deelt de oorspronkelijke idealen van deze architecten om door middel van kunst en architectuur de maatschappij te verbeteren. Befaamd is zijn betonnen huisje, dat hij in 1993 voor de Sonsbeek-tentoonstelling liet bouwen tussen de viaducten op het Arnhemse Roermondsplein en dat al snel een 'hangplek' voor jongeren werd.

Enkele jaren geleden begon Van de Pavert te experimenteren met computeranimaties van denkbeeldige huizen, naar eigen zeggen wegens de praktische voordelen bij het tentoonstellen: “Geen gesjouw met zware brokken paraffine of gips, geen getimmer, alleen een simpele tape die je in de videorecorder stopt.” In de video Tape, die in Arti wordt vertoond, neemt de kunstenaar de toeschouwer mee op een rondgang door een vreemd woonhuis met werkruimten, een veranda en een tuin. De met de computer gegenereerde beelden zien er opvallend echt uit, alsof de kunstenaar met een camera door zijn maquettes is gelopen, een indruk die versterkt wordt door het begeleidende geluid van voetstappen.

Een lange gevelrij met uniforme rode voordeuren en geometrische kozijnen, die in de video voorkomt, is ook op schaal uitgevoerd en neemt een van de tentoonstellingszalen van Arti volledig in beslag. “Veel mensen herkennen in die gevelrij een vorm van Nederlandse architectuur”, vertelt Van de Pavert met rappe tong. “Dat klopt wel, want ik ben zelf opgegroeid in zo'n sociale-woningbouwbuurt in Zeist. Vaak heeft men een hekel aan dit soort jaren zestig architectuur. Er wordt gesproken van lullige buitenwijken en mensen denken dan dat mijn werk daarop kritiek levert. Maar ik wil die architectuur juist op een podium zetten.”

Van de Pavert reageert met zijn modellen op de beweringen van postmodernisten uit de jaren tachtig, die de modernistische architectuur als utopisch en mislukt wordt afschilderen. “Ik vind dat krankzinnige onzin, want er is nog nooit een tijd geweest dat zoveel mensen gehuisvest konden worden en dat er voor alle klassen van de bevolking op een grote schaal gebouwd werd. In mijn werk wil ik een relatie met het moderne laten zien. Ik ben geïnteresseerd in de avant-gardisten uit het begin van deze eeuw en het feit dat zij, hoe wollig of idioot soms ook, speelden met bepaalde ideologieën en dachten dat ze een radar konden zijn van een komende maatschappij. Dat is iets wat nu haast niet meer mag. Ik geloof in een samenhang van denken over de maatschappij en de wijze waarop je ontwerpt. Dat dit niet heel ideologisch of zwaar hoeft te zijn om toch te kunnen slagen, bewijst iemand als Rem Koolhaas. Hij gaat met zijn werk in op de problematiek van grote steden met hun krankzinnige verkeerssituaties en probeert daar oplossingen voor te vinden.”

Net als de avant-garde-bewegingen uit de jaren twintig verzet Van de Pavert zich tegen de autonomie van de kunst. “Wat ik betreurde in de jaren tachtig was dat veel beeldende kunst erg façade-achtig was. Ik noemde dat destijds roltrapkunst: kunst die in één oogopslag is gezien, waar achter de glans van het object vooral leegte heerst. Deze kunst functioneerde het beste in het snelle voorbijgaan: langs de roltrap bijvoorbeeld. Kunstenaars ontkenden zelf dat het werk ergens over zou moeten gaan. Jan Vercruysse stelde bijvoorbeeld heel expliciet dat zijn werk atopisch was: het tegenovergestelde van utopisch. Die puur formele kunst had wetten die alleen op de kunst betrekking hadden en ook alleen binnen de kunst denkbaar waren. Ik heb toen heel lang gewacht op kunstenaars die met iets anders zouden komen. Dat is nu eindelijk gebeurd.

“Tegenwoordig heb je kunstenaars die een A4-tje aan de muur hangen met teksten als 'ik wil in jouw broek kruipen'. Of ze vegen hoopjes vuil bijeen en rangschikken die. Ik zeg niet dat dit de oplossing is, maar ik vind het wel een bevrijding na de kunst van de jaren tachtig, omdat het alles kapot maakt wat in die tijd de kunst domineerde. Het is alleen jammer dat veel kunst van nu betrekking heeft op de eigen persoon en dat er een mythe wordt gecreëerd die alleen door de kunstenaar zelf te begrijpen is. Maar het is in ieder geval verfrissend.”

Het prijzengeld van de Heinekenprijs mag Van de Pavert vrij besteden, iets dat vrij uitzonderlijk is voor een kunstprijs. De kunstenaar heeft echter nog geen idee wat hij met zijn ton gaat doen. “Ik heb de indruk dat je zo'n bedrag hoort te besteden aan iets dat aan je werk is gerelateerd en dat je het niet uitsluitend uit mag geven aan taarten en zwembaden. Dat is het enige dat ik tot nog toe weet.”