Inside grapjes wijzen op Nederlandse filmimpuls

UTRECHT, 30 SEPT. Regisseur-scenarioschrijver Eddy Terstall had gisteren én eergisteren een première op het Nederlands Film Festival. Drie zomers achter elkaar nam hij voor bijna niets, met vrienden en bekenden, maar onder werkomstandigheden die je volgens Terstall eerder in Bangladesh zou verwachten, drie speelfilms op in zijn natuurlijke habitat, de Amsterdamse Jordaan.

Hufters & Hofdames kwam in 1996 als een complete verrassing, vorig jaar presenteerde Terstall op video een werkkopie van Babylon, die afgelopen maandag in een definitieve montage vertoond werd en gisteren ging de voorlopige videoversie van De boekverfilming in wereldpremière, de film waar de regisseur tot nu toe het meest tevreden mee is. Het is in ieder geval Terstalls meest persoonlijke, van zelfspot doortrokken productie.

In de satire op het Nederlandse filmbedrijf zitten Terstall en Robert Jan Westdijk (Siberia, ZUSJE) op een terras en laten zich lijdzaam voorstellen als de vertegenwoordigers van de nieuwe generatie door Lars Schumann jr. (Dirk Zeelenberg), die vorig jaar voor zijn film over biggetjes het niet-bestaande Gouden Kalf voor de beste experimentele film zou hebben gewonnen. Nu bereidt Schumann, op instigatie van Matthijs van Heijningen (die zoals vele Nederlandse filmpersoonlijkheden zichzelf speelt) een verfilming voor van een autobiografische bestseller van een Ruigoordse schrijfster. Schumann heeft drie actrices op het oog voor de hoofdrol, en probeert ze alle drie het bed in te praten: de een met het verhaal dat hij altijd verliefd is op zijn hoofdrolspeelster, de ander juist door te zeggen dat hem dat nog nooit is overkomen. De derde is een overgevoelig type 'met het IQ van een pak cornflakes' en juist door haar naïviteit een onmogelijke prooi. Nadia Hüpscher speelt de stotterende huilebalk zo innemend en natuurlijk dat zij de voornaamste attractie vormt van De boekverfilming, waarin Terstall terloops en gewoontegetrouw een loflied brengt aan de manier waarop allerlei subculturen elkaar in Amsterdam met vallen en opstaan weten te tolereren. Eigenlijk is het meer een film over machtsmisbruik en ego-wildgroei dan over de filmerij, al wijzen de talloze inside-grapjes op het bestaan van een echte Nouvelle Vague in de Nederlandse cinema.

Overgangsperioden in de filmgeschiedenis gaan vaak gepaard met zelfreflectie. Zo maakt Jurriën Rood een filmcriticus van de oude stempel tot held van zijn televisiedrama Celluloid Blues. In een versleten corduroyjasje schrijft de morsige middelbare recensent (Dries Smits) week in week uit pagina's vol over Akira Kurosawa en Alain Resnais, tot ergernis van zijn redactiechef (Roef Ragas), die liever korte sfeerstukjes en reportages ziet over moderne Amerikaanse sterren. En een rubriek over CD-ROM en nieuwe media, geschreven door een leuke jonge meid.

De laatste strohalm om voeling te houden met de tijdgeest vormt de terugkeer van een Nederlandse ster uit het buitenland (Margôt Ros als een soort van Sylvia Kristel), die nodig geïnterviewd moet worden. Tijdens een bezoek aan haar hotelkamer belanden de oude criticus en de bijdehante ster gezamenlijk in een spannend avontuur met gangsters, dat de man tot een goed einde kan brengen door zijn ampele bioscoopervaring met geknevelde helden en ook precies de kopij oplevert waar de chef om zat te springen. Rood maakt vederlicht amusement dat enige herkenning oproept (ik ken collega's die ook wel eens weemoedig het stof van hun archiefmappen blazen), maar dat weinig spits uitgewerkt wordt.