Arnold Schilder, toezichthouder namens De Nederlandsche Bank; Als de mensen maar kunnen blijven pinnen

Banken zijn op dit moment in een flink deel van de wereld niet de onwankelbare instellingen die ze zouden moeten zijn. Hoe staat het met de westerse - en de Nederlandse - banksector? Arnold Schilder, sinds 1 juli bij De Nederlandsche Bank belast met toezicht, had zich een rustiger begin van zijn nieuwe betrekking kunnen voorstellen.

Of zijn gasten het insteekpuzzeltje voor peuters dat op tafel ligt zouden willen maken. Kinderspel. De gasten, die zichzelf als routiniers beschouwen, zetten het puzzeltje in elkaar, maar waar is het ene ontbrekende stukje? Op de grond gevallen, onder een papier geschoven? Of zou...?

Arnold Schilder zelf ziet toe hoe het kwartje valt. Vertrouwen komt eerst: het is ondenkbaar, en vervolgens onzegbaar, dat hij zijn gasten moedwillig met een incomplete puzzel heeft opgezadeld. Pas als alle overige hypotheses zijn verworpen, wordt het tijd er van uit te gaan dat hij de kluit inderdaad heeft belazerd.

Het voorval is volgens Schilder, theoloog en topaccountant bij Coopers & Lybrand voor hij gevraagd werd om bij De Nederlandsche Bank de opvolger te worden van de naar ABN Amro vertrokken Ton de Swaan, tekenend voor het bankentoezicht. Vertrouwen is het fundament onder het bankensysteem. “De overgang van professionele scepsis naar wantrouwen is groot en ingrijpend. Als je te vroeg ingrijpt dan is de maatschappelijke schade niet te overzien. Te laat ingrijpen kan ook niet. Dus wanneer grijp je in? Dat is de klassieke toezichtvraag.”

Wantrouwen is op dit moment niet de juiste typering waar 't het toezicht van De Nederlandsche Bank op banken en effectenkredietinstellingen in Nederland aangaat. Maar de professionele scepsis waar Schilder van spreekt heeft in het licht van de internationale financiële crisis al wel geresulteerd in een verhoogde staat van paraatheid aan het Frederiksplein.

“Het stormt in de wereld, dat is onmiskenbaar”, zegt Schilder. En dat heeft gevolgen voor de intensiteit van het toezicht. In plaats van de gangbare, maandelijkse rapportages aan de toezichthouder moeten banken nu wekelijks rapporteren over hun kredieten in het buitenland. De Nederlandsche Bank heeft ook de risicoweging voor sommige landen, zoals Indonesië, opgevoerd, wat betekent dat banken hogere reserves moeten aanhouden tegenover de leningen of financieringen die zij in die landen hebben uitstaan.

“We worden lastig gevonden”, merkt Schilder aan de reacties. Maar, zo voegt hij er aan toe, “als alle banken wereldwijd onder het Nederlandse regime zouden zijn gevallen, waren er nu veel minder internationale problemen geweest.” Calamiteiten, zoals onlangs nog met ING-dochter Extra Clearing dat door slechte optiefinanciering in de problemen kwam en door de moeder moest worden uitgekocht, sluit Schilder ondanks het strakke toezichtsregime in Nederland niet uit. “Als het stormt kunnen er wel een paar pannen van het dak vliegen. Maar ik gebruik die vergelijking om te benadrukken dat het huis, de bancaire sector als geheel, stevig staat.”

Schilder kwam, toen hij in juli zijn nieuwe functie opnam, meteen middenin de internationale financiële turbulentie terecht, en was onder de indruk van het snelle en directe overleg dat toezichthouders wereldwijd met elkaar voeren. Tot juli was hij als accountant bij Coopers & Lybrand meer in de luwte actief. “Nu word ik bij het nieuws van zeven uur wakker en hoor ik regelmatig berichten waarvan ik denk: hé, toch eens even uitzoeken hoe dat zit. Het raakt ons als toezichthouder dagelijks. Of door Nederlandse banken die actief zijn in die regio's, of door buitenlandse instellingen die in Nederland werkzaam zijn.”

Los van de stroppen die banken tot nu toe hebben geleden op kredietverlening aan opkomende landen, komen nu ook de eerste tijdingen van schade bij de financiële handelsactiviteiten van banken als gevolg van de turbulentie op de financiële markten. Vorige week vond de Amerikaanse centrale bank het nodig om te bemiddelen bij een redding van het speculatieve beleggingsfonds LTCM door zijn bancaire crediteuren. Kennelijk was de 'fed' bezorgd om mogelijke gevolgen voor het banksysteem als LTCM daadwerkelijk zou zijn gezonken. Is er in Nederland ook zo'n noodplan? “Je kunt nooit uitsluiten dat er iets groots misgaat”, zegt Schilder. “De afwikkeling ligt dan bij de getroffen instelling zelf, de toezichthouder en het ministerie van Financiën. Daar zijn scenario's voor.”

Maar de centrale bankier stelt ook dat banken tegenwoordig goed zijn toegerust om calamiteiten zelf al vroeg te signaleren en in de kiem te smoren. Hij verwijst naar 1994, toen een plotselinge wereldwijde stijging van de rente op de kapitaalmarkt ook een aantal financiële instellingen op het verkeerde been zette. “In 1994 ging het om het onvoldoende beheersen van risico's. Er waren woningbouwcorporaties onder de slachtoffers, en bijvoorbeeld het beleggingsfonds van de Amerikaanse regio Orange County. Van de zaak-Leeson (de handelaar die door zijn speculaties de Britse Barings-bank te gronde richtte) is geleerd dat ook bij banken het interne beheer van risico's te wensen overliet.”

Schilder wijst er op dat ook het toezicht op de handelsactiviteiten van banken van karakter is veranderd. “Een aantal jaren geleden was er bij centrale banken de hang om alles wat er bij de banken gebeurde getalsmatig daadwerkelijk te volgen. Nu gaat de aandacht veel meer uit naar risicobeheersing door de banken zelf. Wat wij als toezichthouder doen is zeker stellen dat de banken een adequaat systeem voor risicobeheersing hanteren.” Die systemen staan op dit moment vaak voor hun eerste echte test, nu de markten zo onstuimig zijn. Schilder heeft er vooralsnog vertrouwen in. “De uitkomst tot nu toe valt mee.”

Hetgeen overigens niet betekent dat de toezichthouder zich niet druk hoeft te maken. “Je stelt zeker dat een instelling zichzelf in de hand houdt, maar niet elke bank heeft een tien met een griffel. Kleinere instellingen missen soms de omvang en de expertise om de eigen risicobeheersing goed te laten functioneren. Het toezicht kan dan worden opgevoerd tot een dag-tot-dag basis. Maar ik heb, naar aanleiding van wat er nu met de koersen op de financiële markten gebeurt, geen reden om calamiteiten te verwachten.”

Nederlandse banken hebben, mede door hun snel toegenomen winsten, kunnen zorgen voor flinke reserveringen om calamiteiten mee op te vangen. Sommige analisten storen zich aan het gebrek aan zicht op de winstgevendheid die zo'n uitbundig gebruik van stroppenpotjes veroorzaakt. De voormalig accountant Schilder kan er niet zo mee zitten. “Ik heb een grotere sympathie voor overvoorzichtigheid dan voor onvoorzichtigheid. We zijn behoorlijk opgeschoven in de richting van overvoorzichtig. Ik gun iedereen een behoorlijke dosis conservatisme, mits dat wel transparant gebeurt.”

Over die transparantie is Schilder wel te spreken. Hij wijst op de openbaar geworden voorziening voor kredietrisico's - tot drie jaar geleden een van de beste bewaarde bankgeheimen - en suggereert ook tevredenheid over de publieke openheid van zaken die bijvoorbeeld ING al gaf over de gevolgen van de Azië-crisis voor het bankbedrijf. “De openheid van banken is vrij groot geworden.”

Banken gaan steeds vaker samen met verzekeraars, zijn actief op de effectenbeurs en beleggen voor derden. Terwijl er financiële conglomeraten ontstaan die zich met alle takken van sport bezighouden, blijft het toezicht verdeeld.

In Nederland zijn er De Nederlandsche Bank voor de banken, de Verzekeringskamer voor de verzekeraars en houdt de STE (stichting toezicht effectenverkeer) toezicht op de beurshandel. In Groot-Brittannië wordt nu gewerkt aan het in elkaar schuiven van de verschillende toezichthouders tot een super-toezichthouder.

Schilder is daar niet van gecharmeerd. “Dat is vooralsnog niets voor Nederland. Het is een typisch Engelse oplossing; als er een ramp gebeurt [de teloorgang van BCCI, en het bankroet van Barings] moet er meteen iets drastisch gebeuren. Ik zou het toezicht niet weghalen bij de centrale bank. Dat heeft te grote gevolgen voor de kwaliteit.” Schilder tekent het verschil tussen de Angelsaksische, confronterende, manier van werken en het Rijnlandse model van het Europese continent. “We zijn hier gewend om op een bepaalde manier met elkaar om te gaan. Er is veel contact met de Verzekeringskamer en de STE, en een paar maal per jaar is er officieel overleg. Bovendien is er veelvuldig onderling overleg op lagere niveaus. Dat maakt dat we de taken beter kunnen verdelen, hoewel er overlap is.”

Wat het toezicht op conglomeraten betreft stelt Schilder dat De Nederlandsche Bank via de Verzekeringskamer direct toegang heeft tot het verzekeringsbedrijf van een financieel conglomeraat. “Dat betekent niet dat we het toezicht op holdings niet verder zouden willen intensiveren.” Samenwerking met de Verzekeringskamer is er ook op het gebied van de integriteit van bestuurders van financiële instellingen, die door de toezichthouders steeds scrupuleuzer wordt nagegaan. De Nederlandsche Bank heeft nu samen met de Verezekeringskamer en de STE een databank waarin de twee kunnen putten uit elkaars materiaal en bevindingen. Daarnaast kan de bank ook via Justitie bij de politieregisters om zeker te stellen dat bankbestuurders een schoon verleden hebben.

De drie toezichthouders krijgen er binnenkort nog een vierde bij. Met ingang van het jaar 2000 zal de NMA, het kartelbureau van de overheid, toezicht gaan houden op de marktwerking in de financiële sector. De Verzekeringskamer heeft zich daar negatief over uitgesproken, maar Schilder ziet geen bezwaar. “Ik zie geen aanleiding te veronderstellen dat de NMA in 2000 niet toe is aan de financiële sector. De taak van de NMA is wezenlijk anders dan de onze.” Wel vindt Schilder dat NMA voor zijn oordeel over de concurrentieverhoudingen tussen financiële instellingen geen gebruik zal kunnen maken van vertrouwelijke toezichtsinformatie van De Nederlandsche Bank.

Een nog verdere ontwikkeling in het toezicht ziet Schilder niet gebeuren: die ontwikkeling beheerst de discussie die in Europees verband over het bankentoezicht loskomt. Nu er straks een munt is en banken Europeser worden, is het dan niet logischer dat ook het toezicht Europees wordt georganiseerd?

Schilder wil er weinig van weten. “Op dit moment is een Europees toezichtsinstituut niet in de planning opgenomen. Toezicht behoort ook niet tot de taken van de Europese Centrale Bank, hoewel als er sprake zou zijn van een grote bankencrisis in de Europese Unie de ECB natuurlijk wel betrokken zal worden.” Maar Schilder vindt de discussie over een Europees toezicht zo speculatief dat hij niet aan een jaartal wil denken waarop zo'n pan-Europees regime zijn beslag zou kunnen krijgen.

Ook over de oorzaak van zo'n beweging naar een Europees toezicht, de concentratie onder het Europese bankwezen, is hij genuanceerd. “Je houdt altijd drie lagen van spelers: de op wereldschaal opererende banken, de regionale banken en de nationale en lokale banken. Ik heb altijd gezien dat als zich er op wereldschaal concentratie plaatsvindt, de lokale spelers zich tegelijkertijd ook sterker ontwikkelen.”

Waarmee een nationaal toezicht volgens hem altijd een noodzaak blijft, en er dus ook altijd een Schilder nodig is. “Wat ik hier wil bereiken is dat de samenleving vertrouwen houdt in het toezicht van De Nederlandsche Bank. Dat de mensen hun geld veilig op de bank kunnen zetten, en er van uit kunnen gaan dat ze altijd kunnen pinnen. Wat je nu ziet in Rusland, waar de mensen voor de bank staan en hun eigen geld er niet meer vanaf krijgen - dat is pas echt erg.”