Poldermodel moet ook op de werkvloer zichtbaar zijn

Door alle euforie over het poldermodel dreigen structurele tekortkomingen in de economie en op de arbeidsmarkt over het hoofd te worden gezien, menen Thom de Graaf en Bert Bakker. Het poldermodel werkt alleen in het voordeel van een beperkte groep Nederlanders.

Nederland is morgen weer getuige van een vertrouwd ritueel: het najaarsoverleg tussen het kabinet en de Stichting van de Arbeid in het SER-gebouw in Den Haag. De meest betrokken ministers en staatssecretarissen bespreken daar met de voorlieden van werkgevers en vakbonden het sociaal-economische klimaat van dit en volgend jaar.

Het is een hoogtepunt van ons poldermodel. Het kabinet beloofde op Prinsjesdag maar liefst 20 nieuwe adviesaanvragen aan de SER. Paars poldert verder, en sociale partners mogen weer over van alles en nog wat hun al dan niet gezamenlijke opinie formuleren.

Zeker, het poldermodel heeft grote verdiensten. Het bewijst dat sociaal beleid, economische welvaart en gezonde overheidsfinanciën hand in hand kunnen gaan, dat sociaal en liberaal geen tegenstelling zijn, maar elkaars complement. Het verklaart ook de belangstelling in andere landen voor onze overlegeconomie - jarenlange arbeidsrust, een spectaculaire werkgelegenheidsgroei en een dalend beroep op de sociale zekerheid trekken terecht de aandacht over de grens.

Maar door alle euforie over het poldermodel dreigen structurele tekortkomingen in onze economie en op de arbeidsmarkt te worden genegeerd. Het model werkt keer op keer in hoge mate in het voordeel van hen, die goede kansen hebben, die al een baan hebben, of die minstens goed opgeleid, jong, gezond en van Nederlandse afkomst zijn.

Wie voorbij de cijfers kijkt, ziet dat Nederland nog altijd wordt gekenmerkt door een zeer lage arbeidsparticipatie onder groepen die niet aan deze kenmerken voldoen. Nederland is kampioen arbeidsongeschiktheid, ouderendiscriminatie en discriminatie van allochtonen op de arbeidsmarkt. Nog altijd zit één op de tien werknemers met een (gedeeltelijke) arbeidshandicap thuis, hoe gemotiveerd dergelijke werknemers vaak ook zijn. Een situatie die nog steeds niet wezenlijk afwijkt van de jaren tachtig, toen sociale partners een stevig 'volumebeleid' zeiden te voeren. De werkloosheid onder allochtonen is vier keer zo hoog als die onder autochtone Nederlanders. En werknemers boven de 55 jaar moet men met een lampje zoeken; de meesten zijn intussen via WAO, WW of VUT afgevloeid. Van de 624.000 nieuwe banen van de afgelopen jaren, kwam slechts een kwart ten goede aan werklozen; de rest werd bezet door nieuwe toetreders op de arbeidsmarkt. Weliswaar is het aantal langdurig werklozen de afgelopen jaren teruggelopen tot net onder de 200.000, maar dat komt vooral door de Melkertbanen en banenpools - voor regulier, ongesubsidieerd werk komt men niet in aanmerking.

Vier jaar van heftige discussies hebben ertoe geleid dat de laagste loonschalen terugliepen van 111 tot 107 procent van het minimumloon. Een te mager resultaat. En ondanks de fabelachtige economische groei in gebieden als Amsterdam Zuidoost en Schiphol, de Kop van Zuid in Rotterdam of het Laakhavengebied in Den Haag, is de kans dat je als inwoner van de oude wijken werk vindt op een steenworp afstand - de Bijlmer, Feijenoord, Schilderswijk - nagenoeg nihil.

Het najaarsoverleg zal deze problemen ongetwijfeld weer agenderen. Het meest waarschijnlijk is dat werkgevers en werknemers toezeggen hun scholingsinspanningen te vergroten. En mogelijk ook dat in het CAO-overleg zal worden gewerkt aan betere mogelijkheden om arbeid en zorg te combineren. Men moet zulke afspraken allerminst kleineren. Integendeel, geëmancipeerde arbeidsvoorwaarden staan al minstens vijftien jaar op de CAO-agenda, en het wordt tijd dat het er eens van komt. Scholing is essentieel op onze veeleisende arbeidsmarkt en tevens een voorwaarde om het als oudere werknemer te kunnen volhouden.

Toch zou er meer nodig zijn dan een plichtmatige uitwisseling van opvattingen en consensus op terreinen als hier genoemd. Kernprobleem van ons poldermodel is dat kabinet en sociale partners van alles kunnen afspreken, maar dat het in de praktijk van bedrijven en andere arbeidsorganisaties niet lukt om echt een keer ten goede te bewerkstelligen. Kennelijk kun je aan de centrale tafels van overleg van alles afspreken (vaak betiteld als 'het creëren van draagvlak'), maar zegt dit weinig tot niets over 'de werkvloer'.

Ondanks alle recente maatregelen om het voor werkgevers aantrekkelijk te maken, denkt 80 procent van de ondernemers er niet aan om gehandicapten in dienst te nemen. Ondanks alle voor- en najaarswoorden over scholing voor oudere werknemers, wordt het overgrote deel van het scholingsgeld door ondernemers gebruikt voor jongeren tot 35 jaar. Er bestaat al 15 jaar een gedragscode voor werving en selectie, maar bijna de helft van de vacatures kent een leeftijdsgrens.

Deze situatie is niet nieuw. Keer op keer zijn in het verleden voor- en najaarsafspraken gemaakt. Dikwijls zijn die in CAO's ook wel terug te vinden, maar is het moeilijk om zicht te krijgen op de concrete resultaten daarvan. Als het ook nu bij dergelijke afspraken blijft, dan doet zich opnieuw de vraag voor naar de zin van al dat Haagse gepraat. Want ondertussen meent MKB-Nederland dat het nu wel genoeg is met de eigen verantwoordelijkheid van ondernemers voor een goede preventie van ziekteverzuim en voor herinschakeling van zieke werknemers, en wil men herinvoering van de Ziektewet.

De FNV zet in op fikse looneisen, om daarnaast meer geld van de overheid te eisen voor armoedebeleid. De doelstelling is niet onsympathiek, maar zou de FNV er niet beter aan doen om allereerst te vechten voor een in de praktijk sociaal functionerende arbeidsmarkt? Een keuze die het CNV heel uitdrukkelijk wèl maakt.

De Nederlandse arbeidsmarkt, waar nijpende personeelstekorten gepaard gaan met honderdduizenden mensen die geen kans krijgen, vraagt meer dan ooit om concrete afspraken tussen kabinet, werkgevers en werknemers. Geen vrijblijvende intenties, maar praktische overeenstemming over concrete doelstellingen, die duidelijk maken wat op de werkvloer mag worden verwacht, en de kansen die de huidige ruime arbeidsmarkt biedt ook echt benut. Dus:

concrete afspraken over betere combinaties van arbeid en zorg en over kinderopvang;

een offensief plan voor reïntegratie van mensen met een arbeidshandicap, met toetsbare doelstellingen, waarbij we elkaar ook aanspreken op het resultaat. Met bijvoorbeeld de doelstelling om vanaf 1999 jaarlijks het dubbele aantal WAO'ers weer aan de slag te helpen;

overtuigende afspraken om het profijt van de extra werkgelegenheid te laten gelden waar dat het hardste nodig is;

een werkelijk leeftijdsbewust personeelsbeleid met een blijvend recht op scholing voor ouder wordende werknemers;

helderheid over de mate waarin ook individuele ondernemers aanspreekbaar zijn op de centraal gemaakte afspraken.

Dergelijke concrete afspraken spreken meer aan dan de neiging van sommigen om het succes van de polder aan te grijpen om oude, neo-corporatistische verhoudingen te restaureren. Wil het poldermodel zich echt waarmaken, dan moeten de resultaten daarvan in de praktijk, dus op de werkvloer, zichtbaar worden en moeten mooi geformuleerde documenten en aanbevelingen hun betekenis krijgen voor al degenen die daar tot dusver niet de vruchten van konden plukken.