Onderwijsduur moet omlaag

Wat zou het prettig zijn als de nieuwelingen die het ministerie van OC&W gaan besturen de klassen zouden verkleinen, de leraarsalarissen zouden verhogen, de werkdruk van en het tekort aan docenten zouden verminderen, en ook nog eens voor nieuwe computers - met bruikbare software - zouden zorgen.

Het is allemaal te bekostigen als het aantal jaren dat een kind op school doorbrengt wordt teruggebracht.

Die verblijfsduur op school is de afgelopen decennia drastisch toegenomen. In 1962 verbleef een kind van zes jaar ongeveer tot zijn zestiende - dus tien jaar lang - op school. Met andere woorden: de verblijfsduur in het voltijdonderwijs bedroeg gemiddeld tien jaar. Deze verblijfsduur in het voltijdonderwijs is gestegen tot gemiddeld veertien jaar in het schooljaar '96/'97.

Jongeren verblijven tegenwoordig tot hun negentiende jaar op school of universiteit. Drie jaar langer dus dan in de jaren zestig.

Ook aan de onderkant is er schooltijd bijgekomen. De leerplicht start tegenwoordig op vierjarige leeftijd. Een kind gaat dus twee jaar eerder naar school, twee kleuterjaren die tellen voor één schooljaar. Kortom, in 35 jaar is de schoolloopbaan gestegen van tien tot veertien schooljaren, een toename van 40 procent.

Deze groei in verblijfsduur op school heeft meerdere oorzaken. Een deel ervan is terug te voeren op de emancipatie. Niet alleen de kinderen van de dokter gaan tegenwoordig studeren, ook minder bevoorrechte kinderen hebben recht op meer en hoger onderwijs. Zo is het VBO veranderd van eindonderwijs in algemeen vormend onderwijs dat binnenkort voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs gaat heten. Een andere oorzaak van de langere verblijfsduur is de toegenomen jeugdwerkloosheid van de afgelopen 35 jaar.

De belangrijkste motor achter de toename van de verblijfsduur is natuurlijk de selectie. “Het onderwijs [...] vormt een arena voor competitie om aantrekkelijke posities in de samenleving,” schreef de onderwijskundige professor Dronkers onlangs. Iedere ouder, die eraan hecht dat z'n kind carrière maakt, laat zijn of haar kind studeren.

Wat ontbreekt aan het rijtje hierboven vermelde oorzaken is de noodzaak om meer te leren.

De menselijke kennis is in de afgelopen 35 jaar misschien wel vertienvoudigd. Dat betekent dat het onmogelijk is om eenzelfde fractie kennis te verwerven als vroeger. Toen leerde je een beroep op school, nu verkrijg je deze kennis gedurende het beroepsleven zelf. Meer leren op school heeft geen zin. Steeds meer wordt de opvatting gehuldigd van de education permanente, waarvoor inmiddels een fatsoenlijke Nederlandse uitdrukking bestaat: 'een leven lang leren'.

Er wordt getwijfeld aan het nut van de vijftien vakken van de basisvorming. Het nieuwe VMBO bevat te veel theoretische vakken, vond onder andere de Onderwijsraad. Veel insiders betwijfelen het leerrendement van alle uren die op school worden doorgebracht. Daarom zijn er binnen het onderwijs zoveel voorstanders van het studiehuis te vinden.

Tegelijkertijd worden steeds meer mensen te zwaar opgeleid voor het werk dat zij moeten verrichten. Ook daar is een woord voor: 'overscholing'. Dronkers spreekt van 'diploma-inflatie' ten gevolge van 'gegroeide onderwijsdeelname' en schrijft: “Deze groei maakt diploma's absoluut minder waard, omdat de verhoging van het niveau van arbeidsplaatsen trager ging dan de groei in onderwijsdeelname.” De vier schooljaren die het kind nu langer in de banken doorbrengt in vergelijking met 1962, leveren de maatschappij dus weinig nut op.

De langere verblijfsduur kost een schep geld. Ieder jaar moet het onderwijs betaald worden voor vier jaargangen van zo'n 200.000 jeugdigen meer dan in 1962. Een leerlingenjaar in het algemeen vormend onderwijs kost circa f 7.000. De onderwijsbegroting moet dus minstens vijf miljard gulden hoger zijn dan 35 jaar geleden. Met ieder jaar dat we de verblijfsduur terug zouden brengen, komen er 200.000 manjaren extra op de arbeidsmarkt. Dat kan nog veel meer geld opleveren, als er werk voor de jeugd is.

Er zijn veel manieren waarop de verblijfsduur op school gereduceerd kan worden. Dit kan onder andere door de toegestane verblijfsduur per schooltype te verminderen of door certificaatdiploma's in te voeren. Dit staat al in de plannen voor het nieuwe VMBO.

Deze truc, waarbij leerlingen partieel slagen, kan ook worden toegepast bij Havo, VWO en MBO. Een veel ingrijpender maatregel is het verkorten van de nominale schoolduur.

Maak de basisschool zeven jaar, het VMBO drie jaar, Havo en VWO ieder vijf jaar.

De versmade, maar voor onze maatschappij noodzakelijke selectie blijft behouden. Het lerarentekort wordt teruggedrongen en we sparen zoveel geld uit dat er eindelijk genoeg is om de school behoorlijk in te richten.

In 35 jaar tijd is Nederland rijker geworden: er is meer woonruimte, meer vakantie, meer televisie en meer onderwijs. Maar dat laatste is geen luxe. Onze kinderen hebben liever beter, dan langer onderwijs.