Nano verspeelde tijdens rellen geloofwaardigheid

De Albanese premier, Fatos Nano, heeft de consequenties getrokken uit zijn onvermogen de rust in zijn land te herstellen. Zijn val begon twee weken geleden, toen hij zijn geloofwaardigheid en reputatie verspeelde door onder te duiken in een tijd van crisis.

ROTTERDAM, 29 SEPT. Nano, leider van de socialistische partij die vorig jaar na maanden van chaos en anarchie aan de macht kwam, heeft het afgelopen jaar geen van de dringende problemen van Albanië opgelost. Dat is hem uiteindelijk noodlottig geworden. Want de mislukte opstand van de door ex-president Sali Berisha geleide oppositie, op 13 en 14 september, bracht de top van Nano's eigen socialistische partij weliswaar tot de conclusie dat Berisha en die oppositie niet deugden, maar leverde nog een tweede conclusie op: dat een deel van de schuld op het conto van de falende premier Fatos Nano moest worden geschreven.

Nano heeft in het jaar van zijn premierschap slechts één prestatie geleverd: hij kon de internationale gemeenschap overtuigen van de noodzaak, Albanië bij te staan. Hij slaagde erin de buitenlandse donoren te bewegen Albanië zeshonderd miljoen dollar te beloven voor de wederopbouw.

Maar daarbij bleef het: de rest bleef steken in goede bedoelingen. Nano slaagde er niet in de peilloze polarisatie in de Albanese politiek te beëindigen, de verbitterde ruzies tussen hemzelf en zijn aartsvijand Berisha, leider van de oppositionele Democratische Partij (PD). Nano slaagde er evenmin in de economie te hervormen en weer op te bouwen na de verwoestingen van vorig jaar.

Hij slaagde er ook niet in de vorig jaar door de bevolking gestolen wapens in te zamelen en iets te doen tegen de rampzalige criminaliteit, de smokkel en het banditisme. Hij wist niet om te gaan met de crisis in Kosovo. En hij ondernam niets tegen de gigantische corruptie in het overheidsapparaat: die nam alleen maar toe na zijn aantreden.

De opstand van Berisha's aanhang, na de moord op een van de leiders van diens Democratische Partij op 12 september, werd voor Nano het begin van het einde. Berisha's volgelingen veroverden de hoofdstad, staken Nano's kantoor in brand, maakten tanks buit en brachten Tirana even op de rand van dezelfde chaos die het land vorig jaar maandenlang teisterde. Nano verdween drie dagen van het toneel. Hij dook onder. De situatie werd voor hem gered door zijn minister van Binnenlandse Zaken, Perikli Teta, die door zijn persoonlijke inzet voorkwam dat de situatie geheel uit de hand liep. Pas na drie dagen dook Nano weer op, om theatraal in zijn stukgeschoten kantoor de internationale media te vertellen dat de staatsgreep van de schurk Berisha was mislukt.

Die driedaagse afwezigheid kostte Nano een goed deel van zijn toch al niet grote geloofwaardigheid: onderduiken duidt niet op persoonlijke moed, en moed is belangrijk in Albanië.

Sindsdien is de premier er niet in geslaagd zijn geloofwaardigheid te herstellen. Dat Berisha niet kon doorzetten en met zijn dagelijkse betogingen tegen “de communist” Nano steeds minder volgelingen op de been kreeg, lag aan de afkeer van de Albanezen van nòg meer chaos, en niet aan Nano's woorden of daden. Nano beloofde de regering te hervormen. Maar zijn reputatie had een zware klap opgelopen en zijn autoriteit was zoek. In zijn eigen Socialistische Partij begon de afgelopen week steeds luidere kritiek op te klinken. De critici waren ook niet de ersten de besten. Servet Pellumbi, vice-voorzitter van de partij (en de man die in Nano's naam de partij bestuurde tussen 1994 en 1997, toen Nano in een van Berisha's gevangenissen zat) drong zelfs aan op Nano's aftreden. “Niet alleen Berisha is schuldig aan wat twee weken geleden gebeurde”, aldus Pellumbi, “ook Nano is het, door de zwakten van zijn regering in het hele jaar na de verkiezingen van 29 juni 1997”. Hij wees op het gebrek aan succes bij de bestrijding van corruptie en criminaliteit en zei: “De regering moet radicaal worden gewijzigd en dat slaat ook op [de positie van] de premier.” Pellumbi kreeg in zijn kritiek steun van een ander partijkopstuk, de schrijver Dritëro Agolli - de meest populaire socialist van het land -, die vond dat Nano's positie ter sprake moet komen zodra “de omstandigheden zijn gestabiliseerd”.

Zover is het niet gekomen. Toen gisteren Perikli Teta, gedesillusioneerd over “het onvermogen en de corruptie van de politieke klasse”, uit de regering en zelfs uit de politiek stapte, kon Nano geen nieuwe minister van Binnenlandse Zaken vinden: zijn eigen partij en zijn coalitiegenoten lieten hem in de steek, en hem restte niets anders dan op te stappen.