Fotograaf Alvin Coburn ging stap te ver

Alvin Langdon Coburn. T/m 25 oktober, Römisch-Germanisches Museum, Roncalliplatz 4, Keulen. Di t/m zo 11-17, Woe 11-20. Catalogus DM 49.

In 1917 fabriceerde fotograaf Alvin Langdon Coburn een kokertje uit drie kleine langwerpige spiegeltjes, hield het voor zijn lens en portretteerde de dichter Ezra Pound. Het resultaat was verrassend: het gepuntbaarde profiel van Pound stuiterde als een pingpong balletje door de foto of hing als een spookverschijning in een kaleidoscopisch staketsel van lichtbanen. Op dezelfde manier fotografeerde Coburn even later... ja, wat eigenlijk? Uit de foto's, die nog het meest doen denken aan kristallen onder een microscoop, is het beslist niet te af te leiden.

Vortographs noemde Coburn zijn abstracties naar het door Pound gepropageerde vorticisme, de Engelse loot van het kubisme in de schilderkunst. Maar anders dan Man Ray die enkele jaren later de wereld zou verbazen met zijn nu dure abstracte fotogrammen, viel Coburn vooral hoon ten deel. Zijn tijdgenoten vonden dat hij leed aan 'poseuritis'. Deze reactie moet Coburn (1882-1966) hebben verrast, gewend als hij was aan bewondering. Zijn eerste expositie op 15-jarige leeftijd had hem de status van wonderkind opgeleverd, en protagonisten als de schrijver en verwoede amateurfotograaf George Bernard Shaw en Alfred Stieglitz, nestor van de Amerikaanse fotografie.

De vortographs gingen net een stapje te ver, de fotografische negentiende eeuw met haar wolligheid en op de schilderkunst geïnspireerde genrestukjes was in 1917 nog niet geheel ten einde.

De abstracties zijn niet de enige vroegtijdige modernismen die Coburn op zijn conto mag schrijven, zo is nu te zien in de ruime, uit de collectie van het George Eastman House in New York afkomstige overzichtstentoonstelling in het Römisch-Germanisches Museum in Keulen. Vijf jaar voor het maken van de vortographs beklom Coburn de daken van wolkenkrabbers in New York en richtte zijn camera niet op de horizon maar op de wereld aan zijn voeten, zodat de straten vlakken werden, de stegen streepjes en de huizenblokken voorzichtige diagonalen. Hij was er Moholy-Nagy en diens Bauhaus-leerlingen ver mee voor. Wie niet beter weet zou zelfs kunnen denken dat er met dat uit vogelperspectief gefotografeerde sneeuwlandschapje van Madison Square-park een André Kertész tussen de Coburns verzeild is geraakt. Een zwarte rotonde in het wit, met paadjes als de tentakels aan een inktvis, precies zo zou de Hongaar Kertész decennia later een deel van zijn oeuvre bij elkaar fotograferen.

Toch voert het te ver de in 1932 tot Engelsman genaturaliseerde Amerikaan op grond van deze foto's een modern fotograaf te noemen. Daarvoor zijn de ruim 120 in Keulen bijeengebrachte portretten, natuur- en stedelijke landschappen - de kleinste op het formaat van een ansichtkaart, de grootste iets ruimer dan een placemat - nog te veel doordrenkt met de schilderachtige beeldtaal van de laat 19-de eeuwse fotografie. Dat is niet alleen een kwestie van stijl en beeldopbouw, maar ook van techniek. Coburn hanteerde ambachtelijke procédés als gomdruk, platinumdruk en fotogravure die zijn foto's weliswaar een (naar hedendaagse maatstaven) ongekend genuanceerde toonschaal geven, maar ook broeierige, zwaarbruine tonen die omfloerst en gekunsteld aandoen. Dat effect wordt versterkt door de doelbewuste net niet scherpte die Coburn prefereerde. Onscherp was voor would-be-kunstenaars vond hij, haarscherp voor commerciële praatjesmakers.

Deze benadering zou hij hanteren tot begin jaren twintig, toen hij zich uit de fotografie terugtrok om zich voortaan te verdiepen in mystiek en vrijmetselarij. Ze kenmerkt de vroegste foto's in de expositie (de Nôtre Dame in Parijs, de antieke ruïnes in Italië, duistere bruggen over de Thames en Regent's Canal in Londen) evenzeer als de portretten (de schrijvers Shaw en Yeats, de schilder Matisse, de beeldhouwer Rodin) en de latere stedelijke landschappen. Ze zijn weliswaar oogstrelend, maar baanbrekend zijn ze allerminst.

Ook als gaandeweg de nieuwe tijd zijn intrede doet in de foto's, blijven ze vooral herinneren aan de vorige eeuw. Rond 1910 fotografeert Coburn in New Yorkbij avond het Woolworth Building, Singer Building en natuurlijk Flatiron Building: dit is de nieuwe grote stad. Maar met hun zorgvuldig in de voorgrond meegenomen handkarren, hun feërieke lantaarns en schimmige voetgangers doen de resultaten toch vooral aan vroeger denken.

Soms, heel even, zette hij echter net als in die foto's vanaf het dak van New York de lens op scherp en veegde de duisternis uit zijn afdrukken. Dan fotografeerde hij de daken van Parijs, de golfplaten overkapping van het station van Pittsburg, de spanten van een spoorbrug. Kraakhelder en precies was het resultaat: je kunt de leistenen tellen, de patronen in de vitrage, de klinknagels in het staal. Het zijn foto's met de precisie van een scalpel: Nieuwe Fotografie zou dat jaren later worden genoemd. Maar toen was Coburn al fotograaf af, met achterlating van een oeuvre waarin je de op zeldzame wijze de oude en de nieuwe tijd keer op keer ziet stuivertje wisselen.