Falende bureaucratie

“GEEN DOOFPOT”, zo luidt het oordeel van elder statesman Van Kemenade over de afhandeling van het drama Srebrenica. De opluchting over dit oordeel wordt getemperd door de harde kwalificaties die de commissaris van de koningin bezigt voor de door Defensie gevolgde handelwijze. Deze vertoonde opmerkelijke tekortkomingen en gebreken en is alles bij elkaar niet zorgvuldig genoeg geweest. Het befaamde debriefingsrapport was te summier en het openbaar ministerie was te passief met betrekking tot mogelijk wangedrag van Dutchbatters.

Dat Van Kemenade boos opzet bij de defensie-organisatie uitsluit, betekent nog niet dat hij een afgerond antwoord geeft op de vraag hoe deze opmerkelijke aaneenschakeling van prutswerk valt te verklaren. Zijn rapport mondt vooral uit in aanbevelingen voor de toekomst. Deze zijn direct overgenomen door de nieuwe minister van Defensie, De Grave. Daarmee zijn naar valt te vrezen de publieke vragen over het verleden niet van de baan. De rapporteur onthoudt zich terecht van een oordeel, maar de grens tussen onkunde en onwil die hij schetst, is zó dun dat De Grave het niet bij alleen een actieplan voor de toekomst zal kunnen laten.

RAPPORTEUR Van Kemenade heeft zich met prijzenswaardige voortvarendheid van zijn taak gekweten. Veel nieuwe feiten brengt hij echter niet aan het licht, laat staan harde bewijzen. Er zijn dan ook nadere stappen nodig om tot conclusies over het drama-Srebrenica te komen. Het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie (RIOD) is daar mee bezig. Wat eventueel wangedrag van Nederlandse militairen in de enclave betreft, is een nader onderzoek gestart door de militaire justitie. Of deze tot strafvervolging concludeert, is nog geheel open. Als voor het ministerie als geheel geldt dat Srebrenica een uitzonderlijk moeilijke operatie was, zoals De Grave gisteren voortdurend op de televisie aanvoerde, dan geldt dat toch zeker voor de individuele militairen in het veld.

Het zwaartepunt van het rapport-Van Kemenade betreft niet het eventuele tekortschieten van afzonderlijke Dutchbatters maar het collectieve falen van de defensiebureaucratie. Met name aan het late informeren van minister Voorhoeve kan niet licht worden getild. Dit aspect raakt direct de ministeriële verantwoordelijkheid en vormt, behalve voor een directe reactie van De Grave, een gereed aanknopingspunt voor het parlementaire onderzoek dat sinds de zomer boven de markt zweeft. Het is door het rapport-Van Kemenade onmiskenbaar dichterbij gekomen. Toch blijft het voor de Tweede Kamer in dit geval extra moeilijk om het parlementaire onderzoekswapen in stelling te brengen. Srebrenica valt niet los te zien van vragen over de politici die de militairen op hun mission impossible hebben gestuurd.

IEDERE PARLEMENTAIRE enquête bevat al gauw een element van zelfonderzoek. Maar in dit geval is het wel zeer de vraag wie de politieke handen voldoende vrij heeft om het onderzoek geloofwaardig aan te kunnen vatten. Als oplossing voor dit dilemma circuleert de suggestie om de Eerste Kamer met de enquête te belasten. Waarom overigens niet een onderzoek door de verenigde vergadering van beide kamers der Staten-Generaal, want ook deze heeft in beginsel een enquêterecht.

Een formeel onderzoek door de senaat zou een noviteit zijn, met interessante implicaties voor zijn staatkundig soortelijk gewicht. Vooralsnog is het moeilijk voorstelbaar dat de Tweede Kamer op zo'n opzichtige manier afstand doet van zijn politieke verantwoordelijkheid voor de afwikkeling van het drama-Srebrenica.