Een broos bondgenootschap

Schröder en Jospin mogen dan beiden sociaal-democraat zijn en als zodanig het ideaal van de socialistische solidariteit belijden, het is de vraag of de laatste erg verheugd is over de overwinning van de SPD bij de verkiezingen van zondag. Als het erop aankomt, laten ook sociaal-democraten zich minder vaak leiden door hun ideologie dan door de praktische wijsheid: je weet wat je hebt, je weet niet wat je krijgt.

Sinds 1982 hebben de Fransen Kohl leren kennen als een betrouwbare partner, ja als iemand die bereid - zij het niet altijd in staat - was offers te brengen terwille van de Frans-Duitse samenwerking. Die samenwerking was juist in de jaren dat de socialist Mitterrand president was (1981-1995), inniger geweest dan ooit. Als er moeilijkheden waren geweest, dan waren die eerder van Franse dan van Duitse kant gekomen.

Met Schröder komt een nieuwe man op het toneel. Op z'n best een onbeschreven blad, maar in elk geval iemand van een generatie die, anders dan die van Kohl, de oorlog van 1939-1945 niet aan den lijve heeft ondervonden en dus een Frans-Duitse verzoening waarschijnlijk niet meer dan als een rationale noodzaak ziet en zeker minder bereid zal zijn tot eenzijdige concessies. Als hij een coalitie met de Groenen gaat vormen, zullen de Franse zorgen niet afnemen - hoezeer ook Jospin zelf eveneens met Groenen regeert.

De Frans-Duitse verstandhouding is beslissend voor de toekomst van de Europese samenwerking. Dat moet ook Nederland erkennen - met alle wantrouwen die het, als klein land tussen twee groten, voelt opkomen telkens wanneer die verstandhouding in zijn ogen te innig wordt en de pretenties van een directoraat gaat aannemen.

Nu wil het geval dat de Nederlander die deze regels schrijft, een dag of tien geleden, op weg naar huis, in de buurt van Bonn kwam, waar in het Haus der Geschichte der Bundesrepublik Deutschland een tentoonstelling over die Frans-Duitse betrekkingen nog juist te zien was. (Zij sloot op 20 september.) Waarom niet even een Abstecher daarnaartoe gemaakt?

Eerlijk gezegd, ging ik er met een zekere scepsis naar toe. In de eerste plaats had ik net in een boek over mythen in internationale betrekkingen (Haunted by History: Myths in International Relations) - het hoofdstuk over mythen in de Nederlandse buitenlandse politiek besprak ik hier op 1 september - een hoofdstuk over de Frans-Duitse relatie gelezen.

Dit hoofdstuk was een coproductie van een Fransman en een Duitse (Cyril Buffet en Beatrice Heuser, die ook de redacteuren van het boek zijn) en bepaald geen lofzang op die bilaterale samenwerking. Integendeel: hun conclusie is dat die samenwerking 'een broos bondgenootschap' is: “Bonn en Parijs willen ieder een verschillend Europa.”

Ja, “onder de symboliek, onder de mythe van eenheid is de kern van de zaak er een van voortdurend wederzijds wantrouwen en van Franse vrees voor Duitsland”. Eigenlijk stelt alleen de Frans-Duitse samenwerking op economisch gebied iets voor, vinden de schrijvers. Zelfs voor iemand die de betrekkelijkheid van die samenwerking inziet, nogal krasse taal.

Maar ook om een andere reden waren mijn verwachtingen omtrent die tentoonstelling niet hooggespannen. Zij stond onder het beschermheerschap van bondskanselier Kohl en president Chirac. Zou zij niet een instrument van propaganda zijn, bedoeld om de kijker nog eens extra te overtuigen van de noodzaak, de zegeningen en de prestaties van de Frans-Duitse samenwerking?

Nu, dat viel reusachtig mee. Er werd weinig verbloemd - noch de Franse angsten (begrijpelijk gemaakt door beelden uit de Tweede Wereldoorlog) noch Duitse kritiek op Franse Alleingänge (zoals Mitterrands bezoek aan de DDR na de val van de Muur en Chiracs hervatting van de kernproeven). De zaken werden niet of nauwelijks mooier voorgesteld dan ze waren of zijn.

Ook de culturele verschillen zoals die zich uiten in de zakelijke omgang, werden niet gesmoord in een saus van Europese broederschap en cultuur. Ergens werden die verschillen als volgt uitgedrukt: “Als de Fransman zegt: 'Ik heb een concept', bedoelt hij: 'Ik heb een idee' en verstaat de Duitser: 'Hij heeft een precies plan'.” En nog meer van die voorbeelden.

Bij het verlaten van de tentoonstelling stuit de bezoeker op de volgende uitspraak, in grote letters, van Alfred Grosser (geboren als Duitse jood, maar sinds 1933 in Frankrijk woonachtig): “De diplomatieke en militaire solotrips van Frankrijk, waar ook in de wereld, maken het begrip bij de Duitse partner nu niet bepaald gemakkelijker. [...]Een gemeenschappelijke politiek ligt nog in de verre toekomst.” Of deze uitspraak ook te lezen zal zijn wanneer straks de tentoonstelling in het Maison de Radio France te Parijs te zien zal zijn?

Ook het boek dat ter begeleiding van de tentoonstelling te krijgen is - catalogus is niet het juiste woord, want de tentoonstelling zelf is één groot prentenboek - liegt er soms niet om. Zo heeft de journalist Lucas Delattre het over de “vaak zeer diepe kloof” tussen Fransen en Duitsers wat hun kijk op de wereld betreft, over de prioriteit die Duitsland, als puntje bij paaltje komt, aan Amerika geeft en over het feit dat de Frans-Duitse samenwerking grotendeels een kwestie van technocraten is.

Zo kan de bezoeker, afhankelijk van zijn eigen stemming of vooroordelen, de tentoonstelling hetzij een beetje bezorgd, hetzij een beetje opgelucht - of in beide gemoedsstemmingen tegelijk - verlaten. In elk geval zal degeen die haar met scepsis is binnengetreden, die scepsis niet verloren hebben. Maar wat zou dat? Is het feit dat beide landen tot samenwerking met elkaar veroordeeld zijn, niet voldoende reden?