Dokter ontslagen

Het ziekenhuis moest de relatie met Lakefield wel beëindigen. Hij werkte al een tijdje bij ons maar er zat geen schot in de erkenning van zijn papieren. Hij werd bovendien steeds chaotischer en joeg het personeel schrik aan met zijn krankzinnige blik.

Het was in de tijd dat er in onze stad nog een klein ziekenhuis was. Er waren maar vier specialisten aan verbonden die regelmatig overhoop lagen. Ik spreek als insider. De vorige chirurg was van de ene op de andere dag vertrokken. En vind dan maar een ander.

Op een dag was hij aan komen rijden in een grijze geblutste Toyota. Een zwarte, hoffelijke Amerikaan met zilverwit haar. In de aktentas een vuistvol beduimelde getuigschriften met de hoogste lofprijzing. Van het Kreiskrankenhaus am Vierwaldstättersee, Krankenhaus Bayreuth, Heidelberg, Wuppertal. Hij was in Standort Deutschland achtergebleven na de militaire dienst en sprak een mengeling van Amerikaans en Duits. Carrière had hij er niet gemaakt. Hij schreef het toe aan bureaucratie en geharrewar met erkenningen. We waren content met hem. Hij leefde als een monnik op een kamer in het ziekenhuis en was een kundig operateur, naar het leek. Wel wat langzaam, merkten we al snel. Een blinde darm, normaal een half uurtje, dijde uit tot anderhalf uur.

De problemen begonnen een paar weken later. Hij liep geagiteerd door de gang, zwaaide met de laboratoriumuitslag van een ingestuurd operatiepreparaat, hield me aan en riep: “Warum verfolgt jai mai?” En hij liet me lezen: 'Snijvlakken zijn niet vrij van tumorweefsel', stond er. De tumor was dus niet helemaal verwijderd. Het ging om een verkankerde darm bij een broze oude man. “Nou, en?” zei ik sussend, “het was toch een groot gezwel?” Zijn ogen schoten vuur. “You've talked with pathology”, zei hij. De rose binnenkant van zijn vinger priemde op mijn borst. Ik keek hem verbluft aan. “Wat? Denk je dat het lab die uitslagen manipuleert? Man, je bent getikt.” Hij trok een grimas en taxeerde me nog eens. Toen ontspande hij, kreeg een brede lach, liep joviaal met me op en zei: “Sorry, man muss vorsicht sein.” “Waarom dan?” “Die Behörden in Heidelberg, they spy en ze zijn tegen me.” “You're paranoid”, zei ik. Hij zweeg, lachte stil voor zich uit en liep verder.

Het was het begin van een lange litanie. Hij ging steeds langzamer opereren, stelde fantasiediagnosen en weerde andere specialisten bij zijn patiënten. Op een dag leidde hij een anesthesist rond die waarnam in de vakantie. “Sprich nicht to the Direktion of this hospital”, zei hij veelbetekenend, “ze saboteren mij, racist nazis.” De man trok de wenkbrauwen op. Ze liepen langs een wastafel. Hij wees naar de kraan. “Don't drink it, de Wasserleitung is vergiftigd.”

Toen was de maat vol. Het bestuur vergaderde een halve dag, concludeerde dat hij psychotisch was en wees Meester, de KNO-arts die ook directeur was, aan om hem onverwijld te ontslaan. Tijdens een operatie dus. Lakefield stond geconcentreerd over de patiënt gebogen toen Meester binnenkwam en op een afstandje bleef staan. Hij begon: “Je weet dat we ons best gedaan hebben om je papieren in orde te krijgen.” Lakefield keek op. “Sure”, zei hij onverschillig. “Je weet dat het niet gelukt is.” Lakefield zweeg. “Je weet dat we ons zorgen maken over je gedrag.” Hij bleef onverstoorbaar doorwerken. “We hebben lang vergaderd om te zien wat we nog voor je konden doen.” Hij zuchtte. “Lakefield, je bent ontslagen”, zei hij bij hamerslag. Het OK-personeel verstijfde.

Hij werkte echter door als een vertraagde film. Daarna zei hij: “Sister, doek.” Hij dekte de operatiewond zorgvuldig af, veegde zijn vingers af aan een gaasje, draaide zich om, mompelde: “Scheisse, scheisse”, en schreed als een vertoornde priester de operatiekamer uit, de handen in devotie voor zich, in zijn groene OK-tenue, op witte klompen, door de gang van de poliklinieken waar de bezoekersdrukte uiteenspleet, hem nakeek, naar de directiekamer waar het bestuur nog bijeenzat, napraatte. De deur sloot met een klap. In de OK bleef het personeel ontredderd rond de patiënt achter. De beademingsmachine siste en blies zinloos door de slangen. “Als hij maar terugkomt”, huiverde er een.

Uit de directiekamer klonk zacht geschreeuw naar buiten door. Daarna ging de deur weer open en hij ging de weg terug, de OK in, hij smeet zijn handschoenen op de grond, trok nieuwe aan en boog zich weer over de patiënt op de tafel. “Sister, mess.” En hij ging weer verder in zijn eindeloze tempo onder het geruststellende gesis van de beademingsmachine.

Niet lang daarna heeft hij zijn koffers gepakt en is hij uit onze stad verdwenen. Soms nog komt het gesprek op hem, als mensen met elkaar praten, op het leugenbankje, onder de tamme kastanje. “Diejen nègerdokter, dat was nen kèl.” Dat zeggen ze.